(34) Een monumentale muur

In december 1988 werd de monumentale muur van de voormalige smederij van de Koninklijke Maatschappij De Schelde op de hoek van de Aagje Dekenstraat en het Betje Wolffplein gesloopt. Veel Vlissingers hadden daar moeite mee. De muur had meer dan tachtig jaar het beeld van de toegang tot de binnenstad bepaald en stond landelijk bekend als een industrieel monument van de eerste orde. Toegegeven, de facelifts van de laatste jaren, zoals de metalen kraag, waren niet echt mooi uitgevallen en de ramen lekten dat het een aard had, maar de muur zelf had nog niets aan uitstraling en kracht ingeboet. Restauratie was mogelijk, maar dat kostte miljoenen en die had Vlissingen niet beschikbaar. Althans niet voor het behouden en conserveren van monumenten. De sloop was een feit en enkele jaren later stond er op de vrijgekomen grond een nieuw winkelcentrum, een parkeergarage en een complex met 78 appartementen.

De gebeurtenissen in 1988 zijn illustratief voor de manier waarop er in Vlissingen gedurende de negentiende en twintigste eeuw is omgegaan met het bouwkundig erfgoed. In de keuze tussen restaureren enerzijds of slopen en nieuwbouw anderzijds werd bijna altijd voor het laatste gekozen. Tussen 1875 en 1940 was het vooral De Schelde die vanwege de uitbreiding van haar activiteiten aanstuurde op de sloop van straten en zelfs complete wijken, inclusief monumentenpanden , na 1945 was het de gemeente Vlissingen die saneerde. In 1988 was het argument dat “… De Schelde in vroeger tijden een groot deel van het stadsoppervlak had ingepikt en het tijd werd om weer eens wat terug te pakken…”. Dat er ook nu weer een belangrijk monument moest worden afgebroken nam men op de koop toe. De uiteindelijke beslissing lag altijd bij de gemeenteraad en de mening daar was nu eenmaal een afspiegeling van wat de gemiddelde stemgerechtigde Vlissinger vond.

(33) 1944: één pand zonder schade


Vlissingen was na de Tweede Wereldoorlog met afstand de meest verwoeste stad van Nederland. Van de 6.220 woningen die Vlissingen in 1940 telde waren er 1.381 totaal verwoest. De overige waren zwaar of minder zwaar beschadigd. Er was zegge en schrijve één enkel huis dat ongeschonden het einde van de oorlog had gehaald: een pand in de Walstraat, volgens de ooggetuigen de speciaalzaak in huishoudelijke artikelen en porselein (!) van de Firma Moerman op nummer 94. Op iedere 100 inwoners waren er 5,7 huizen verwoest. In Middelburg was dat 3,3 en Rotterdam, doorgaans genoemd als de meest getroffen Nederlandse stad, 4,5. Nog veel, maar een stuk minder dan Vlissingen.

Vlissingen had, in tegenstelling tot de meeste andere steden, meerdere bombardementen door moeten maken, vooral van de Engelsen, die gedurende de hele oorlog zo’n 80 aanvallen uitvoerden op de stad. De genadeklap kwam toen in oktober 1944 de dijken van Walcheren op vier plaatsen kapot werden geschoten met als doel het eiland onder water te zetten, waarna het makkelijker zou zijn voor de geallieerden om het te bevrijden. Van de vier stroomgaten bevonden zich er twee bij Vlissingen: de Nolledijk en de dijk bij Fort Rammekens. De andere twee lagen bij Westkapelle en Veere. In Vlissingen kwamen in totaal 2.065 woningen onder water te staan, waarvan 1.600 permanent, dus ook bij eb. Het zoute water werkte het onttakelingproces dusdanig in de hand dat renoveren uiteindelijk vele malen duurder zou worden dan afbreken. Dat kwam vooral omdat het nog meer dan een jaar zou duren voordat Vlissingen weer helemaal droog was. Oorzaken: materiaalschaarste, geldgebrek, bureaucratie bij de landelijke overheid, ondeskundigheid en voortdurende stakingen bij de arbeiders omdat de lonen in relatie tot de arbeidsomstandigheden als veel te laag werden beschouwd.

Toen in 1947 de gaten in de dijken waren gedicht en de laatste straten en huizen droogvielen, bleef Vlissingen zitten met een woningbestand waarvan meer dan de helft, economisch gezien, het beste maar zo snel mogelijk kon worden afgebroken. Het was niet het probleem van een enkele straat of wijk, maar dat van een halve stad. Het valt te betwijfelen of er ook maar iemand was in Vlissingen die serieus nadacht over restauratie, zoals dat in Middelburg al een paar jaar aan de gang was, gedurende de oorlogsperiode zelfs met behulp van de Duitsers. In de Vlissingse wederopbouwplannen die in de jaren na 1944 werden gepresenteerd, waren de woorden renovatie en restauratie dan ook niet terug te vinden. Men had het over sanering, afbraak van krotwoningen, nieuwe infrastructuur, uitbreiding van de havens en vooral: “… nieuwbouw, nieuwbouw en nog eens nieuwbouw.”

(32) De Wandelpier, 1936-1943

De waarschijnlijk meest aansprekende toeristische attractie in Vlissingen aller tijden was de Vlissingse Wandelpier die in de jaren dertig van de vorige eeuw vanaf Boulevard Bankert 150 meter de zee in stak. De pier leeft voort in de herinnering van de Vlissingers die haar nog hebben meegemaakt en er waarschijnlijk gewandeld hebben, maar ook in het collectieve geheugen van de jongere generaties, door de verhalen en door de honderden foto’s die ervan zijn gemaakt.

De pier was onderdeel van een lange reeks van werkzaamheden aan de boulevards die op initiatief van de toenmalige burgemeester van Vlissingen, Albert van Woelderen, waren gestart om Vlissingen nog aantrekkelijker te maken voor toeristen en uiteraard de eigen bevolking. Het toerisme was vanaf 1919, het jaar waarin Van Woelderen was aangetreden, een van de drie pilaren geweest van zijn beleid, naast de ontwikkeling van de havens en de industrie. In de jaren twintig was er in het noorden van Vlissingen al een vliegveld aangelegd, want de toeristen zouden in de toekomst niet alleen per trein en auto komen, maar ook met het vliegtuig. Dankzij een contract met de KLM bedroeg het aantal vliegtuigen dat Vlissingen aandeed in 1932 al meer dan 2.500. Een ander groot project was het verbinden van de drie boulevards tot één lange wandel-, fiets- en autoroute van bijna twee kilometer. Het sluitstuk was in 1939 de bouw van een dam over de ingang van het Haventje van Meijer, dat sinds 1872 diende als uitwateringssluis.

Voor de pier waren al plannen gemaakt in de negentiende eeuw, het begin van het toerisme in Vlissingen. Omdat er nooit voldoende geld bij elkaar kon worden gebracht, was het er nog niet  van gekomen. Pas in de jaren dertig kwamen er voldoende fondsen beschikbaar om de droom van de burgemeester en van de meeste Vlissingers te verwezenlijken. In 1934 kon men beginnen met de bouw en op 30 mei 1936 vond de feestelijke opening plaats. De totale lengte was zoals gezegd 150 meter en op het hoofd stond een achthoekig paviljoen met horecabestemming.

De Wandelpier was geen lang leven beschoren. In 1943 werd het grootste gedeelte door de Duitsers afgebroken vanwege de militaire risico’s. De restanten werden kort na de oorlog opgeruimd.

(31) Taliban aan de Schelde


Wie tegen een Belg vertelt dat Vlissingers afstammen van fundamentalistisch calvinistische Vlamingen die de rooms-katholieken uit Vlissingen naar Vlaanderen hebben verjaagd, heeft een grote kans om voor gek te worden verklaard.

En toch is het waar. In de jaren tachtig van de zestiende eeuw kwam er een vluchtelingenstroom op gang vanuit Vlaanderen en Wallonië. Deze vluchtelingen hingen het nieuwe calvinistische geloof aan dat in deze gebieden een veel grotere aanhang had dan in de Noordelijke Nederlanden, inclusief Zeeland. Ook de strijd van deze groep tegen de rooms-katholieke kerk was er veel intenser. De Beeldenstorm van 1566 was begonnen in Vlaanderen en had daar flink huisgehouden. Het spreekt vanzelf dat de tegenmaatregelen van de Spanjaarden er ook niet om logen met als gevolg een geweldspiraal die tienduizenden het leven heeft gekost. Veel calvinisten vluchtten naar Zeeland.

Vlissingen was door haar ligging aan doorgaand vaarwater een belangrijke plaats van aankomst voor de vluchtelingen. Velen bleven er wonen en werken. De stad had omstreeks 1500 een inwonertal van 2.000. In 1600 was dat gegroeid tot 5.000. Het aantal immigranten bedroeg 3.300. Aangenomen mag dus worden dat de groei voor het grootste deel werd veroorzaakt door de immigrantenstromen. De nieuwkomers hadden een zeer grote invloed op de Vlissingse samenleving. Op één gezin na verlieten alle rooms-katholieken binnen  enkele jaren de stad. De protestantse kerk overheerste het maatschappelijk leven en bepaalde zelfs de wetgeving. In de zeventiende eeuw zien we hetzelfde beeld: door de komst van nog eens bijna 4.000 mensen groeide de stad naar 7.000 inwoners. En dat terwijl het oppervlak waar iedereen moest wonen, nauwelijks in omvang toenam. In 1500 was dat 24 hectare en in 1600 nog steeds. Pas na 1609 mocht Vlissingen wat grond erbij kopen: 12 hectare om precies te zijn. Maar dat was bij lange na niet genoeg. Tot overmaat van ramp werden er tussen 1570 en 1621 ook nog eens honderden en soms meer dan duizend soldaten tegelijkertijd ingekwartierd en ondergebracht bij gewone gezinnen.

Vlissingen omstreeks 1600 was een overbevolkte, streng calvinistische en door en door stinkende stad die het best is te vergelijken met een bidonville in een van de huidige miljoenensteden in donker Afrika.

(30) Hoe Vlissingen aan zee kwam te liggen

Nadat Vlissingen in 1315 stadsrechten had gekregen en er in korte tijd drie havens waren gegraven aan de zuidoostkant waar de stad rechtstreeks aan de Schelde lag, kwamen er meer dan een eeuw geen uitbreidingen. Er kwam wel wat huizen bij, maar het grondgebied van Vlissingen werd niet groter. Ook de haven kende na 1308 nauwelijks uitbreidingen. Ze voldeed volledig aan de verwachtingen en de eisen die men stelde en het was niet nodig om opnieuw een groot geldbedrag te investeren in een uitbreiding. 

Daar kwam bij dat er door natuurgeweld nog al wat veranderde aan het grondgebied van de stad. Het was de eeuw van de grote stormvloeden en Vlissingen zag in die periode meer dan de helft van haar grondgebied in zee verdwijnen. De Vlissingers moeten hieraan hun handen vol hebben gehad. Voor de haven, de handel en de scheepvaart hadden de overstromingen ook voordelen: de bereikbaarheid van Vlissingen over zee en vanuit Antwerpen was nóg beter geworden en de havens van Brugge en Gent slibden verder dicht met de inmiddels bekende gevolgen voor hun concurrentiepositie. 

Het is onwaarschijnlijk dat er bij deze stormvloeden delen van de stad zelf verloren zijn gegaan. De beschikbare bronnen spreken alleen over het verdwijnen van het polderland dat het bebouwde deel van de stad scheidde van de kuststrook enkele honderden meters verderop in westelijke richting. Het was de periode waarin de definitieve kustlijn van de stad, zoals we die nu nog steeds kennen, ontstond. Hierna grensde dit deel rechtstreeks aan de zee, beschermd door zware dijken. Aan de zuid- en de oostkant van de stad verdween eveneens veel grondgebied, maar ook hier betrof het waarschijnlijk geen bebouwde stadsdelen. Wel is er sprake van een ‘Galgenveld’ dat al omstreeks 1331 ten prooi viel aan de golven en nu ergens ten zuiden van de Oranjedijk in zee moet liggen. Maar met een beetje verbeeldingskracht ….

(29) Een Vlissingse moordaanslag op Willem van Oranje

Een van de belangrijkste moorden in onze vaderlandse geschiedenis was die op Willem van Oranje, op 10 juli 1584 in Delft. De dader was Balthasar Gerards die direct kon worden opgepakt en een vreselijke folterdood moest sterven. Het had echter niet veel gescheeld of de prins was al een paar maanden eerder vermoord. In Vlissingen. Door een  Vlissinger.

Eigenlijk door een import-Vlissinger, want de hoofdpersoon van dit verhaal, Hans Hanssen,  kwam oorspronkelijk uit Zevenaar. Hij was in 1578 getrouwd met een Vlissingse vrouw van zeer goede stand en had zich ook in de stad gevestigd. Hanssen was koopman en had een mooi verhaal. Door zijn huwelijk kreeg hij contacten met de politieke en zakelijke bovenlaag van Vlissingen. Hij behoorde tot de kleine groep aanzienlijke Vlissingers en werd zelfs benoemd tot schepen van de stad, een soort wethouder. Al snel bleek echter dat Hanssen niet de aardige en eerlijke man was waarvoor hij zich had uitgegeven. Hij liet zich in met duistere praktijken, zoals het verhandelen van valse gouden en zilveren munten. Hij werd opgepakt en veroordeeld, maar kwam al snel weer vrij. Vanaf dat moment ging het verder bergafwaarts en in 1583 kwam aan het licht dat Hanssen een plan had om Vlissingen uit te leveren aan de Spanjaarden en Willem van Oranje te vermoorden. De Spaanse koning Philips II had een geldprijs uitgeloofd voor degene die dat zou lukken. Gelukkig voor de prins werd Hanssen in Vlissingen gearresteerd. Hij bekende zijn plannen in de hoop er zonder zware straf vanaf te komen. Het stadsbestuur vermoedde echter een complot en legde hem op de pijnbank om de namen van mogelijke handlangers los te krijgen. Dat lukte niet, waarschijnlijk omdat het een solo-actie was. Omdat de oorlogsdreiging groot was en men een voorbeeld wilde stellen, werd Hanssen na de folteringen ter dood veroordeeld. De straf, onthoofding, werd voltrokken op 15 april 1584. Zijn lichaam werd verbrand en zijn hoofd tentoongesteld op een staak bij de Waterpoort onder het Keizersbolwerk. De Prins zou een paar maanden later, op 10 juli 1584, alsnog worden vermoord.

(28) Gaslantaarns in Vlissingen: verliesgevende business

Op 10 juni 1880 ging de gemeenteraad van Vlissingen akkoord met de verkoop van de gemeentelijke gasfabriek aan de Wijnbergsche Kade aan het Engelse bedrijf Imperial Continental Gas Association (ICGA) voor 150.000 gulden. De Engelsen kregen daarvoor ook het recht om 25 jaar lang gas te leveren aan Vlissingse bedrijven en particulieren. De fabriek, die gas produceerde door steenkool te verbranden, was in 1861 gebouwd in opdracht van de gemeente Vlissingen om de stad te kunnen voorzien van een moderne vorm van straatverlichting, maar vooral omdat men dacht dat de vraag naar gas vanuit het bedrijfsleven in de jaren daarna behoorlijk zou gaan toenemen.

De werkelijkheid bleek anders. De straatverlichting in de stad en langs de havens werd gerealiseerd omdat de gemeente zelf de opdrachtgever was, maar de vraag naar gas bleek minder groot dan men had bedacht. In de jaren na 1861 maar vooral 1868, toen de landsregering besloot om de marinewerf te verplaatsen naar een aantal noordelijker gelegen steden, geraakte Vlissingen in een vrije economische val. Veel meer dan het laten branden van de straatverlichting was er niet meer te doen en de fabriek werd al snel een permanente verliespost voor de gemeente Vlissingen.

Pas in juni 1880 kwam aan deze situatie een eind. Vlissingen had net een nieuwe burgemeester gekregen: Arie Smit, tevens president-commissaris van de nieuwe scheepswerf De Schelde die in 1875 was opgericht. Hoewel de afzet van de gasfabriek na de komst van de werf behoorlijk was aangetrokken de mening dat je dergelijke diensten maar beter kon overlaten aan het particuliere initiatief. Bovendien was de fabriek nog steeds verliesgevend. In het laatste boekjaar 1879 was er een negatief saldo van 21.424 gulden en dat drukte zwaar op de gemeentelijke begroting. De gemeenteraad wijdde vier vergaderingen aan dit onderwerp en besloot op 10 juni 1880 tot de verkoop van het nutsbedrijf. De Engelse multinational was al jaren bezig om vaste grond onder de voeten te krijgen op het Europese vasteland en had in Nederland al fabrieken kunnen overnemen in Rotterdam, Amsterdam en Haarlem. De koopovereenkomst telde 34 artikelen en regelde vooral de openbare stadsverlichting. Zo moesten de lantarens gemiddeld minstens 1.900 uur per jaar branden met een minimum van drie uur per dag. Er was maar één soort brander toegestaan die niet meer dan 170 liter gas per uur verbruikte en die een lichtgevend vermogen had dat gelijk was aan 14 spermacetikaarsen die waren gemaakt van potvissenolie. De gemeente ging hiervoor één cent per uur per lantaren betalen. In 1880 waren er 237 lantarens. De totale kosten voor de gemeente bedroegen daarmee jaarlijks 4.500 gulden, nog maar een kwart van de kosten die ze kwijt waren aan het verlies op de fabriek.

(27) Waarom Vlissingen (en niet Den Briel) de eerste was


Op april zes
verloor Alva zijn fles
(en dat was erger dan zijn bril
die hij verloor op één april).

Vlissingen was op 6 april 1572 de eerste stad in de Noordelijke Nederlanden die zich op eigen kracht van de Spanjaarden wist te bevrijden. Een brief van Willem van Oranje die is te vinden in het Gemeentearchief in Vlissingen, toont dat aan. De prins bedankt daarin de Vlissingers, zegt dat de stad de eerste is en spreekt de hoop uit dat de andere steden in Nederland dit voorbeeld zullen volgen.

Over Den Briel, dat een paar dagen eerder door de Watergeuzen werd bevrijd, rept hij met geen woord. En dat is merkwaardig, omdat in de officiële vaderlandse geschiedschrijving Vlissingen zelden of nooit wordt genoemd. Het gaat altijd over Den Briel en hooguit over “… een aantal Zeeuwse steden…” die het voorbeeld van de Hollandse stad zouden hebben gevolgd. De brief van de prins aan Vlissingen bewijst dat deze zienswijze Vlissingen ernstig tekort doet. De feiten rondom de inname van Den Briel tonen dat ook aan. Eind maart 1572 lag de ongeveer twintig schepen tellende vloot van de Watergeuzen in de Engelse rivier de Medway, een vertakking van de Thames, toen ze van de Engelse regering te horen kregen dat hun vertrek onvermijdelijk was geworden. De Engelsen wilden hun relatie met de Spanjaarden verbeteren en het huisvesten van een Hollandse roversbende droeg daar niet bepaald aan bij. Op 1 april voeren de schepen de Noordzee op zonder precies te weten waar ze naar toe zouden gaan. Bij toeval raakten ze voor de kust van Den Briel en vernamen daar dat de stad kort ervoor was verlaten door een garnizoen Spaanse soldaten. Omdat de groep toch op zoek was naar een nieuwe vaste basis, namen ze de stad meteen maar in. De zogenaamde verovering van Den Briel kun je daarom geen revolutionaire daad noemen en van enige opstand was al helemaal geen sprake. En dat was wel wat Willem van Oranje wilde: opstand tegen de Spanjaarden. Geen wonder dat Vlissingen de eer kreeg zich de eerste stad te mogen noemen waar de vijand door een opstand van de stedelingen zelf werden verdreven. Na 6 april zouden vele steden in Zeeland en Holland het Vlissingse voorbeeld volgen, precies zoals de prins het had gehoopt.

(26) jarig! Op 2 april 1315 werd de stad Vlissingen geboren


Op 2 april 1315 kreeg Vlissingen van de toenmalige graaf van Holland en Zeeland, Willem III, het recht zich stad te noemen. Voor Zeeuwse begrippen was dat laat. Om maar eens wat te noemen: bijna 200 jaar eerder, in 1127, mocht Aardenburg zich al stad noemen. Kort daarna volgden Hulst, Biervliet en Axel. Middelburg was bijna honderd jaar later, in 1217 aan de beurt. Na nog eens een eeuw volgde Vlissingen als de nummer dertien van Zeeland. Zelfs Domburg en Westkapelle waren eerder.

De beslissing of een plaats stadsrechten kreeg lag bij Willem III. En die keek, hoe verrassend, vooral naar zijn eigen belang. Welvarende steden vormden een belangrijke bron van inkomsten voor de vorst  en zijn omvangrijke hofhouding. Omdat de meeste graven in die tijd geen vaste woon- of verblijfplaats hadden, maar voortdurend reisden door hun gebied, hadden ze de steden ook nodig als logeeradres. En dat moest natuurlijk op een zo comfortabel mogelijke manier gebeuren, als het kon met de nodige pracht en praal. Een derde reden waarom er stadsrechten konden worden uitgedeeld was de strategische ligging: het liefst in de buurt van de vijand en tegelijkertijd goed verdedigbaar. Vlissingen voldeed in ieder geval aan deze laatste voorwaarde. Omdat de Schelde in de twee eeuwen daarvoor breder en dieper was geworden ten gevolge van een reeks stormvloeden, vormde de rede van Vlissingen een ideale uitvalsbasis voor een oorlogsvloot. Bovendien kon er handel worden gedreven met bijvoorbeeld wolleverancier Engeland. Of Vlissingen in 1315 een geriefelijk logeeradres was  valt te betwijfelen, maar het grafelijk gezelschap kon altijd uitwijken naar het grotere en rijkere Middelburg.

Het Stadsrechtdocument kende drie grote onderwerpen die tot in detail werden geregeld: handel, vrijheid en rechtspraak. Samengevat kwam de hele tekst erop neer dat de Vlissingers, daarbij geholpen door de graaf,  alles in het werk moesten stellen om de welvaart van de stad te bevorderen, bij voorkeur door het drijven van handel. Om dat te bereiken kreeg iedereen die daarmee te maken had een grote mate van vrijheid: zowel de inwoners van de stad als de bezoekers. Alles wat hiermee in strijd was, moest worden aangepakt. En daarvoor gold de rechtspraak die door de graaf volledig werd uitbesteed aan de Vlissingers zelf. Behalve dan zware misdrijven zoals moord. Dat deed hij zelf wanneer hij in de stad was.