In de achttiende eeuw was Vlissingen literair gezien een landelijk toonaangevende stad, met Betje Wolff en Jacobus Bellamy als de bekendste representanten. In de negentiende eeuw was het allemaal wat minder, hoewel de stad wel degelijk een aantal artistieke talenten met landelijke bekendheid voorbracht. De belangrijkste was dichter en beeldhouwer Jan François Brouwenaar.
Brouwenaar werd op 15 juli 1815 in Vlissingen geboren. Zijn vader was kapper en pruikenmaker en het gezin woonde in de Walstraat. Hij volgde enkele jaren de lagere school in de Sint-Jacobsstraat en moest op tien-jarige leeftijd gaan werken. Zoals de meeste Vlissingse kinderen in die tijd kreeg Jan een baantje bij de Marinewerf, in de werkplaats van de blokmakers. Tegelijkertijd mocht hij een opleiding volgen op de tekenschool, waar hij opviel door zijn toewijding en talent. Hier won hij met zijn beeldhouwwerk verschillende prijzen. In de avonduren, dus na de lange werkdagen van 12 tot 14 uur, studeerde hij Frans, Engels, Duits en Italiaans. Op 29-jarige leeftijd verliet Brouwenaar het ouderlijk huis om zijn droom, een reis naar Italië, waar te maken. Hij bezat echter te weinig geld om dit te doen en ging daarom eerst naar Brussel om werk te zoeken en daar mogelijk zijn kunstenaarschap verder te ontwikkelen. Hij werd leerling bij de beroemde beeldhouwer Willem Geefs. Ook daar won hij een paar keer eerste prijzen met zijn werk. Naast het beeldhouwen bewees Brouwenaar zich ook als dichter en wist hij verschillende gedichten geplaatst te krijgen in Vlaamse en Nederlandse literaire tijdschriften. In 1849 nam hij deel aan een prijskamp van de Koninklijke Akademie van beeldende kunsten te Amsterdam. De eerste prijs was een vierjarig verblijf in Italië: zijn grootste wens die nog steeds niet in vervulling was gegaan. Hij schreef zich in bij deze academie en werd, samen met drie anderen, toegelaten tot de voorronde. Drie van hen, waaronder Brouwenaar, haalden de finale en kregen de opdracht om in drie maanden tijd een beeld te maken van Soranus de Batavier. Brouwenaar ging met een grote inzet en verbetenheid aan de slag. Hij wist dat er een kunstwerk gemaakt moest worden waaraan zijn twee concurrenten, die al jaren bezig waren met hun opleiding tot beeldhouwer, niet zouden kunnen tippen.
Toen het beeld bijna klaar was, werd Brouwenaar echter overvallen door twijfel en onzekerheid. Uiteindelijk vluchtte hij in verwarde toestand weg uit de kleine ruimte waarin hij bijna drie maanden had kunnen werken. Na de nodige omzwervingen in onder andere Rotterdam, keerde hij na twee dagen terug in Amsterdam waar hem de toegang tot de academie werd geweigerd. Men was, waarschijnlijk terecht, bang dat hij zijn eigen kunstwerk wilde vernielen. Na een sprong in het Rokin en de redding door omstanders, liet hij zich op advies van zijn begeleiders opnemen in het Buitengasthuis dat gespecialiseerd was in de behandeling van psychische aandoeningen. Terwijl zijn gezondheidstoestand verslechterde, hij leed als gevolg van zijn sprong in het Rokin aan cholera, geraakte de prijskamp in een beslissende fase. De personen die de drie werken moesten beoordelen waren niet op de hoogte van de toestand van Brouwenaar, maar riepen unaniem zijn beeld tot winnaar uit. De Vlissingse kunstenaar had de reis en het vierjarig verblijf in Italië gewonnen. Brouwenaar heeft het goede nieuws nog wel te horen gekregen, maar overleed een week later, op 24 september 1849.
Tip: Onlangs verscheen bij de Vlissingse bibliotheek een e-book over Brouwenaar, samengesteld door Joep Bremmers. Zeer de moeite waard! Gratis te downloaden op: www.nederland-schrijft.nl/verhaal?pi=39&story_id=330.
(111) Een toonaangevende Courant
In de jaren dertig van de negentiende eeuw dook er in de landelijke media een merkwaardige speler op: de Vlissingsche Courant. De krant bekritiseerde koning Willem I en zijn gevolg en was pleitbezorger van een nieuw en meer democratisch politiek bestel. Ze wist zich tot op het landelijk toneel te presenteren met regelmatige en scherpe nieuwsanalyses en werd lange tijd serieus genomen door de toonaangevende dagbladen en de liberale politici die uit waren op verandering.
De Vlissingsche Courant werd in 1802 opgericht als nieuws- en mededelingenblad. Zes jaar later werd het opgeheven als gevolg van de te lage oplage. Pas in 1834 kwam er een herstart. Na de komst van een nieuwe redacteur in 1839, Frederik van Sorge , raakte de reputatie van de Vlissingsche Courant in een stroomversnelling. Van Sorge was een zeer ondernemend type. In 1839 bezat hij een winkel in Middelburg, was hij directeur van een door hem zelf opgerichte verzekeringsmaatschappij voor de veesector en had hij tal van agentschappen voor andere verzekeraars. Daarnaast was hij gemeentesecretaris van Biggekerke en natuurlijk redacteur van de Vlissingsche Courant.
Van Sorge was niet alleen in staat om het nieuws te verslaan, maar ook om hetgeen hij opschreef te voorzien van een mening. Hij had liberale sympathieën en zijn onderwerpkeuzes en standpunten lieten aan helderheid niets te wensen over. Het waren vooral de progressieve stokpaardjes van die jaren waarover hij schreef: het financiële wanbeleid van de koning en zijn ministers en de wenselijkheid van een nieuwe grondwet, rechtstreekse verkiezingen en ministers die zelf verantwoordelijk waren voor hun doen en laten. Wat later zou Van Sorge zich meer een sociaal-liberaal tonen en schreef hij over de noodzaak van een goede armenzorg en het van overheidswege scheppen van zoveel mogelijk werkgelegenheid. Met deze artikelen week hij overigens wel af van de liberale lijn omdat daarin de overheid juist geen rol moest spelen in het economisch verkeer. De polemieken met de redacteuren van het Handelsblad, maar ook van de eveneens landelijk opererende Arnhemsche Courant, spitsen zich toe op deze onderwerpen. Vooral de door Van Sorge gewenste actieve rol van de overheid was het mikpunt van commentaar, kritiek en spot. Het Handelsblad vroeg zich af hoe het mogelijk was dat er in een van oudsher belangrijke en handelsgerichte stad als Vlissingen, iemand was opgestaan die het in zijn hoofd haalde om een van de belangrijkste principes van de handel, namelijk vrijheid, op deze manier geweld aan te doen.
De grote invloed die de Vlissingsche Courant tussen 1835 en 1843 had gehad, verdween toen Van Sorge zich liet overhalen om hoofdredacteur te worden van het regeringsgezinde Nederlandsch Nieuwsblad. Hij heeft deze functie nog enige tijd uitgeoefend naast zijn werk voor de krant waar hij zijn schrijversloopbaan was begonnen. Na zijn verhuizing naar den Haag gaf hij dat laatste op om zich volledig te kunnen wijden aan het Nieuwsblad. In de concurrerende kranten werd alom de spot gedreven met de plotselinge draai van de journalist. Hij liet zich echter niet op andere gedachten brengen en na die tijd is er weinig opmerkelijks meer van hem vernomen. De Vlissingsche Courant ging na 1843 weer een meer liberale koers varen maar werd in 1848 opgeheven toen de uitgever Pieter de Swart overleed. In 1863 werd het Vlissingsch Weekblad opgericht dat in 1872 werd voortgezet onder de aloude naam Vlissingsche Courant. Maar dat was weer een nieuws- en mededelingenblad.
De Vlissingsche Courant werd in 1802 opgericht als nieuws- en mededelingenblad. Zes jaar later werd het opgeheven als gevolg van de te lage oplage. Pas in 1834 kwam er een herstart. Na de komst van een nieuwe redacteur in 1839, Frederik van Sorge , raakte de reputatie van de Vlissingsche Courant in een stroomversnelling. Van Sorge was een zeer ondernemend type. In 1839 bezat hij een winkel in Middelburg, was hij directeur van een door hem zelf opgerichte verzekeringsmaatschappij voor de veesector en had hij tal van agentschappen voor andere verzekeraars. Daarnaast was hij gemeentesecretaris van Biggekerke en natuurlijk redacteur van de Vlissingsche Courant.
Van Sorge was niet alleen in staat om het nieuws te verslaan, maar ook om hetgeen hij opschreef te voorzien van een mening. Hij had liberale sympathieën en zijn onderwerpkeuzes en standpunten lieten aan helderheid niets te wensen over. Het waren vooral de progressieve stokpaardjes van die jaren waarover hij schreef: het financiële wanbeleid van de koning en zijn ministers en de wenselijkheid van een nieuwe grondwet, rechtstreekse verkiezingen en ministers die zelf verantwoordelijk waren voor hun doen en laten. Wat later zou Van Sorge zich meer een sociaal-liberaal tonen en schreef hij over de noodzaak van een goede armenzorg en het van overheidswege scheppen van zoveel mogelijk werkgelegenheid. Met deze artikelen week hij overigens wel af van de liberale lijn omdat daarin de overheid juist geen rol moest spelen in het economisch verkeer. De polemieken met de redacteuren van het Handelsblad, maar ook van de eveneens landelijk opererende Arnhemsche Courant, spitsen zich toe op deze onderwerpen. Vooral de door Van Sorge gewenste actieve rol van de overheid was het mikpunt van commentaar, kritiek en spot. Het Handelsblad vroeg zich af hoe het mogelijk was dat er in een van oudsher belangrijke en handelsgerichte stad als Vlissingen, iemand was opgestaan die het in zijn hoofd haalde om een van de belangrijkste principes van de handel, namelijk vrijheid, op deze manier geweld aan te doen.
De grote invloed die de Vlissingsche Courant tussen 1835 en 1843 had gehad, verdween toen Van Sorge zich liet overhalen om hoofdredacteur te worden van het regeringsgezinde Nederlandsch Nieuwsblad. Hij heeft deze functie nog enige tijd uitgeoefend naast zijn werk voor de krant waar hij zijn schrijversloopbaan was begonnen. Na zijn verhuizing naar den Haag gaf hij dat laatste op om zich volledig te kunnen wijden aan het Nieuwsblad. In de concurrerende kranten werd alom de spot gedreven met de plotselinge draai van de journalist. Hij liet zich echter niet op andere gedachten brengen en na die tijd is er weinig opmerkelijks meer van hem vernomen. De Vlissingsche Courant ging na 1843 weer een meer liberale koers varen maar werd in 1848 opgeheven toen de uitgever Pieter de Swart overleed. In 1863 werd het Vlissingsch Weekblad opgericht dat in 1872 werd voortgezet onder de aloude naam Vlissingsche Courant. Maar dat was weer een nieuws- en mededelingenblad.
(110) Markiezin Maxima?
Het enige nog levende markizaat in Nederland is dat van Vlissingen en Veere. De markies is niet de eerste de beste: Koning Willem Alexander. De grote vraag is natuurlijk: mag koningin Maxima zich ook markiezin noemen en wordt zij daarmee een beetje Vlissings?
Voordat ik een antwoord ga geven op deze prangende vraag, is het goed om iets meer te vertellen over de speciale band tussen de Oranjes en Vlissingen. Deze band ontstond op 6 april 1572 toen Vlissingen als eerste stad eigenhandig de Spanjaarden verjoeg en zich achter de toen nog prille strijd van Willem van Oranje tegen de Spaanse onderdrukking schaarde. Uit de archieven is een unieke brief opgedoken waarin Willem van Oranje de Vlissingers bedankte voor dit optreden en de hoop uitsprak dat de andere Hollandse, Vlaamse en Zeeuwse steden dit voorbeeld gingen volgen. Daarnaast schonk de prins aan Vlissingen een nieuwe haven en verschillende handelsprivileges. Nog geen tien jaar later werd Willem van Oranje Markies van Veere en Vlissingen door de aankoop van de twee steden. Een jaar later liet hij een woning bouwen in Vlissingen: het Prinsenhuis, dat twee eeuwen lang een markant onderdeel was van het stadsbeeld. Ook in later eeuwen bleek keer op keer de voorkeur van de Oranjes voor Vlissingen. Koning Willem III speelde een zeer belangrijke rol in de oprichting van de scheepswerf de Koninklijke Maatschappij De Schelde, die zou uitgroeien tot de grootste werkgever van Vlissingen en anno 2014 nog steeds bestaat. De inbreng van zijn broer, prins Hendrik, was in hetzelfde jaar doorslaggevend bij de oprichting van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland die in Vlissingen werd gevestigd en de belangrijkste Europese postverbinding werd tussen het vaste land en Engeland. Hendrik had zich persoonlijk financieel garant gesteld voor het project. De laatste eeuw is de band wel gebleven maar zijn er, behalve de vele tientallen Koninklijke bezoeken aan Vlissingen, geen grote ingrijpende gebeurtenissen meer geweest.
In de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw werden de Oranjes als markiezen kort na hun aantreden steeds groots onthaald in Vlissingen. In deze periode moest een nieuwe markies de eed zweren, het hoogtepunt van de dag. De festiviteiten in Veere vonden separaat en op andere dagen plaats. De Vlissingse inhuldigingen op een rij:
- Stadhouder Willem I: 8 augustus 1581
- Stadhouder Maurits: 26 augustus 1590
- Stadhouder Frederik Hendrik: 30 juni 1625 (Frederik Hendrik is nooit fysiek ingehuldigd; hij was in 1625 druk met het beleg van Breda, maar legde wel een schriftelijke eed af.)
- Stadhouder Willem II: 13 augustus 1649
- Stadhouder Willem III: 22 september 1668
- Stadhouder Willem IV: 5 juni 1751
- Stadhouder Willem V: 30 mei 1766
Nadat in 1815 Nederland een koninkrijk was geworden onder de Oranjes, bleef de nieuwe koning Willem I de markiezentitel voeren. Omdat hij als koning was ingezworen hoefde hij geen eed meer af te leggen als markies. De inhuldigingen vonden nog wel plaats, zij het minder luisterrijk dan in de tijd van de stadhouders.
Op de vraag of koningin Maxima zich ook markiezin van Vlissingen mag noemen, kan vanuit de traditie in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw positief worden geantwoord. Een mooi voorbeeld was de vrouw van Frederik Hendrik, Amalia van Solms. Zij staat op een kopergravure uit 1629 afgebeeld met onder andere de titel “Markiezin van Veere en Vlissingen”.
Voordat ik een antwoord ga geven op deze prangende vraag, is het goed om iets meer te vertellen over de speciale band tussen de Oranjes en Vlissingen. Deze band ontstond op 6 april 1572 toen Vlissingen als eerste stad eigenhandig de Spanjaarden verjoeg en zich achter de toen nog prille strijd van Willem van Oranje tegen de Spaanse onderdrukking schaarde. Uit de archieven is een unieke brief opgedoken waarin Willem van Oranje de Vlissingers bedankte voor dit optreden en de hoop uitsprak dat de andere Hollandse, Vlaamse en Zeeuwse steden dit voorbeeld gingen volgen. Daarnaast schonk de prins aan Vlissingen een nieuwe haven en verschillende handelsprivileges. Nog geen tien jaar later werd Willem van Oranje Markies van Veere en Vlissingen door de aankoop van de twee steden. Een jaar later liet hij een woning bouwen in Vlissingen: het Prinsenhuis, dat twee eeuwen lang een markant onderdeel was van het stadsbeeld. Ook in later eeuwen bleek keer op keer de voorkeur van de Oranjes voor Vlissingen. Koning Willem III speelde een zeer belangrijke rol in de oprichting van de scheepswerf de Koninklijke Maatschappij De Schelde, die zou uitgroeien tot de grootste werkgever van Vlissingen en anno 2014 nog steeds bestaat. De inbreng van zijn broer, prins Hendrik, was in hetzelfde jaar doorslaggevend bij de oprichting van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland die in Vlissingen werd gevestigd en de belangrijkste Europese postverbinding werd tussen het vaste land en Engeland. Hendrik had zich persoonlijk financieel garant gesteld voor het project. De laatste eeuw is de band wel gebleven maar zijn er, behalve de vele tientallen Koninklijke bezoeken aan Vlissingen, geen grote ingrijpende gebeurtenissen meer geweest.
In de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw werden de Oranjes als markiezen kort na hun aantreden steeds groots onthaald in Vlissingen. In deze periode moest een nieuwe markies de eed zweren, het hoogtepunt van de dag. De festiviteiten in Veere vonden separaat en op andere dagen plaats. De Vlissingse inhuldigingen op een rij:
- Stadhouder Willem I: 8 augustus 1581
- Stadhouder Maurits: 26 augustus 1590
- Stadhouder Frederik Hendrik: 30 juni 1625 (Frederik Hendrik is nooit fysiek ingehuldigd; hij was in 1625 druk met het beleg van Breda, maar legde wel een schriftelijke eed af.)
- Stadhouder Willem II: 13 augustus 1649
- Stadhouder Willem III: 22 september 1668
- Stadhouder Willem IV: 5 juni 1751
- Stadhouder Willem V: 30 mei 1766
Nadat in 1815 Nederland een koninkrijk was geworden onder de Oranjes, bleef de nieuwe koning Willem I de markiezentitel voeren. Omdat hij als koning was ingezworen hoefde hij geen eed meer af te leggen als markies. De inhuldigingen vonden nog wel plaats, zij het minder luisterrijk dan in de tijd van de stadhouders.
Op de vraag of koningin Maxima zich ook markiezin van Vlissingen mag noemen, kan vanuit de traditie in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw positief worden geantwoord. Een mooi voorbeeld was de vrouw van Frederik Hendrik, Amalia van Solms. Zij staat op een kopergravure uit 1629 afgebeeld met onder andere de titel “Markiezin van Veere en Vlissingen”.
(109) Een eigentijdse vertelling over canons en ankers
Tja, en dan moet je weer eens verschijnen voor de camera van een van onze regionale omroepen: dit keer Omroep Zeeland. Die zijn bezig met de serie Zeeuwse Ankers, gebaseerd op de Canon van Zeeland. Nu heb ik niet zoveel met canons: ze versimpelen de complexe werkelijkheid tot hapklare brokken om het grote publiek toch kennis te kunnen laten maken met ons verleden. Infantiliserende incidentengeschiedenis, waaruit de samenhang en de nuance zijn verdwenen zal ik maar zeggen.
Maar goed, af en toe moet je bezwaren op sterk water zetten en doe je mee. Deze keer ging het over kapers in het algemeen en de Vlissingse bloedvlag in het bijzonder. Ik weet wel wat over Zeeuwse en Vlissingse kapers, maar beschouw ze als gewone huisvaders die de kost verdienden met het op legale wijze aanbrengen van koopvaardijschepen die uit een land afkomstig waren waarmee Zeeland op dat moment in oorlog was. Kapen mocht alleen in oorlogstijd namelijk. Het was een interessante economische sector waarvan zowel de zeelieden als de overheid ruimschoots konden profiteren. Geen jongensboekenromantiek, maar business as usual. Het probleem is dat de Zeeuwse canon er wel een jongensboek van heeft gemaakt. En dan zoek je naar een symbool waaromheen je het verhaal kunt vertellen: de zogenaamde Vlissingse bloedvlag.
Het idee van de programmamaker was simpel: er was geen sprake van een interview. Ik moest alleen maar met de doos waarin de vlag zat opgeborgen, binnen komen, witte handschoentjes aantrekken en het relikwie tevoorschijn halen. Vervolgens zou ik twee korte zinnen uitspreken die van te voren op papier waren gezet. Gelukkig mocht ik die wel eerst even lezen en kon ik maar vier fouten ontdekken. Het bleek namelijk helemaal geen bloedvlag te zijn maar de officiële vlag van Vlissingen uit 1817, toen het kapersvak al enige tijd niet meer bestond. Op de vlag was de potsierlijke Vlissingse fles geborduurd die al sinds jaar en dag als Jacobakan wordt aangeduid, maar dat helemaal niet is (Google maar eens op Jacobakan …). Het is ook niet de originele Vlissingse fles: die eer is weggelegd voor een ordinaire en gebutste tinnen veldfles uit de veertiende eeuw. Ook in het muZEEum te vinden overigens. Tenslotte plaatste ik grote twijfels bij het idee dat de schepen van de Vlissingse kapers met een bloedvlag voeren. Ik ken maar één plaatje waar dat is te zien: een schilderij uit 1725, dat ook al in het muZEEum hangt. Maar daarop is een fles afgebeeld zodat het waarschijnlijk geen bloedvlag is maar gewoon de Vlissingse vlag. Maar goed, ik hoefde de vier fouten gelukkig niet uit te spreken en in overleg slaagden we erin om twee zinnen te componeren die naar mijn inzicht foutloos waren. Om een lang verhaal kort te maken: ik ben vier keer binnengelopen, heb de vlag vijf keer ontvouwen en heb zes keer de twee zinnen uitgesproken. Dat wordt straks geknipt en geplakt en gecombineerd met andere opnames tot een uitzending van, houdt u vast: zes minuten.
Geef mij maar een gewoon interview. Of nog liever: een lezing. Naar aanleiding van de uitzending geef ik die op zondagmiddag 14 september om 15 uur in het muZEEum. Ik combineer het onderwerp kapers met het onderwerp pelgrims omdat ik die week voor Film by the Sea acht keer een verhaal moet houden over Vlissingen als pelgrimsstad. Er is bij de lezingen voor Film by the Sea ook een documentaire over Santiago de Compostella (Walking the Camino) en een stadswandeling. Komt dat horen en zien! Oh ja: ik zal meer dan twee zinnen uitspreken.
Maar goed, af en toe moet je bezwaren op sterk water zetten en doe je mee. Deze keer ging het over kapers in het algemeen en de Vlissingse bloedvlag in het bijzonder. Ik weet wel wat over Zeeuwse en Vlissingse kapers, maar beschouw ze als gewone huisvaders die de kost verdienden met het op legale wijze aanbrengen van koopvaardijschepen die uit een land afkomstig waren waarmee Zeeland op dat moment in oorlog was. Kapen mocht alleen in oorlogstijd namelijk. Het was een interessante economische sector waarvan zowel de zeelieden als de overheid ruimschoots konden profiteren. Geen jongensboekenromantiek, maar business as usual. Het probleem is dat de Zeeuwse canon er wel een jongensboek van heeft gemaakt. En dan zoek je naar een symbool waaromheen je het verhaal kunt vertellen: de zogenaamde Vlissingse bloedvlag.
Het idee van de programmamaker was simpel: er was geen sprake van een interview. Ik moest alleen maar met de doos waarin de vlag zat opgeborgen, binnen komen, witte handschoentjes aantrekken en het relikwie tevoorschijn halen. Vervolgens zou ik twee korte zinnen uitspreken die van te voren op papier waren gezet. Gelukkig mocht ik die wel eerst even lezen en kon ik maar vier fouten ontdekken. Het bleek namelijk helemaal geen bloedvlag te zijn maar de officiële vlag van Vlissingen uit 1817, toen het kapersvak al enige tijd niet meer bestond. Op de vlag was de potsierlijke Vlissingse fles geborduurd die al sinds jaar en dag als Jacobakan wordt aangeduid, maar dat helemaal niet is (Google maar eens op Jacobakan …). Het is ook niet de originele Vlissingse fles: die eer is weggelegd voor een ordinaire en gebutste tinnen veldfles uit de veertiende eeuw. Ook in het muZEEum te vinden overigens. Tenslotte plaatste ik grote twijfels bij het idee dat de schepen van de Vlissingse kapers met een bloedvlag voeren. Ik ken maar één plaatje waar dat is te zien: een schilderij uit 1725, dat ook al in het muZEEum hangt. Maar daarop is een fles afgebeeld zodat het waarschijnlijk geen bloedvlag is maar gewoon de Vlissingse vlag. Maar goed, ik hoefde de vier fouten gelukkig niet uit te spreken en in overleg slaagden we erin om twee zinnen te componeren die naar mijn inzicht foutloos waren. Om een lang verhaal kort te maken: ik ben vier keer binnengelopen, heb de vlag vijf keer ontvouwen en heb zes keer de twee zinnen uitgesproken. Dat wordt straks geknipt en geplakt en gecombineerd met andere opnames tot een uitzending van, houdt u vast: zes minuten.
Geef mij maar een gewoon interview. Of nog liever: een lezing. Naar aanleiding van de uitzending geef ik die op zondagmiddag 14 september om 15 uur in het muZEEum. Ik combineer het onderwerp kapers met het onderwerp pelgrims omdat ik die week voor Film by the Sea acht keer een verhaal moet houden over Vlissingen als pelgrimsstad. Er is bij de lezingen voor Film by the Sea ook een documentaire over Santiago de Compostella (Walking the Camino) en een stadswandeling. Komt dat horen en zien! Oh ja: ik zal meer dan twee zinnen uitspreken.
(108) Déjà vu?
Op 9 maart 1862 vond bij het stadje Hampton Roads in Noord-Amerika een merkwaardige zeeslag plaats. De Amerikaanse burgeroorlog was een jaar aan de gang en de strijd vond inmiddels ook plaats op zee. De Zuidelijken hadden een oorlogsschip van de Noordelijken buitgemaakt, de Merrimack, en dit omgedoopt naar Virginia. Het zwaar gepantserde houten stoomvaartuig had in een paar dagen tijd een drietal vijandelijke schepen de grond ingeboord en leek onverslaanbaar. Het plan was om op 9 maart de beslissende slag te leveren en de Virginia moest daarbij een hoofdrol spelen. De noordelijken hadden echter een nieuw wapen in de strijd gebracht: een geheel uit ijzer gebouwd torenvaartuig, de Monitor. Het schip was een technologisch hoogstandje, lag laag op het water en had een draaibare geschutskoepel. In eerste instantie ging de strijd gelijk op: de Virginia had het voordeel van de zware pantsers en de Monitor was moeilijk te raken. Uiteindelijk moesten de zuidelijken zich terugtrekken. Hun schip was zwaar beschadigd en de kapitein had besloten de strijd te staken. Ook de Monitor had veel schade opgelopen en zou korte tijd later zinken. Desondanks betekende deze slag een ommekeer in de internationale scheepsbouw: de stoommachine als aandrijfkracht was al gewoon en steeds meer schepen, vooral die van de marine, werden geheel van staal gebouwd, dus zonder houten casco.
In Nederland was deze ontwikkeling echter nog geen gemeengoed. Conservatisme overheerste en het houten schip, wel of niet gepantserd, was de norm. Er werd wel een parlementaire enquête georganiseerd waarin de vraag beantwoord moest worden of er wel of niet moest worden ingezet op staalbouw. Het rapport van de commissie was daarover negatief: houtbouw en pantsering zouden voorlopig de norm blijven. Er waren twee personen die tijdens hun verhoor een andere visie lieten horen: de ingenieurs L.K. Turk en B.J. Tideman. De eerste was de hoogste baas op de Vlissingse marinewerf en de tweede zijn rechterhand. Voor hen was staalbouw de enig mogelijke toekomst voor de marine. Opmerkelijk was dat Tideman het andere advies van de commissie wel ondersteunde: de opheffing van de marinewerf, nota bene zijn eigen werkgever. Tideman had daar echter aan toegevoegd dat in zijn visie het bouwen van marineschepen in de nabije toekomst het best kon worden uitbesteed aan particuliere werven. Daar moesten ook drijvende droogdokken worden gebouwd om de stalen schepen te kunnen onderhouden. Een van de locaties die hij op het oog had was het terrein van de Vlissingse marinewerf. Dat moest worden verkocht aan de hoogste bieder met het beste bedrijfsplan.
Het zou nog twaalf jaar duren voordat hij zijn zin kreeg. In 1875 was de inbreng van Tideman doorslaggevend bij de verwerving door Arie Smit van de terreinen en de opstallen van de marinewerf voor de bouw van de nieuwe werf: De Schelde. En de rest is geschiedenis, al blijft het bovenstaande verhaal over de ideeën van Tideman met betrekking tot de verkoop van het werfterrein en de twaalf jaar die verstreek voordat dit eindelijk werd gerealiseerd, een beetje knagen. Of herhaalt de geschiedenis zich écht, af en toe?
In Nederland was deze ontwikkeling echter nog geen gemeengoed. Conservatisme overheerste en het houten schip, wel of niet gepantserd, was de norm. Er werd wel een parlementaire enquête georganiseerd waarin de vraag beantwoord moest worden of er wel of niet moest worden ingezet op staalbouw. Het rapport van de commissie was daarover negatief: houtbouw en pantsering zouden voorlopig de norm blijven. Er waren twee personen die tijdens hun verhoor een andere visie lieten horen: de ingenieurs L.K. Turk en B.J. Tideman. De eerste was de hoogste baas op de Vlissingse marinewerf en de tweede zijn rechterhand. Voor hen was staalbouw de enig mogelijke toekomst voor de marine. Opmerkelijk was dat Tideman het andere advies van de commissie wel ondersteunde: de opheffing van de marinewerf, nota bene zijn eigen werkgever. Tideman had daar echter aan toegevoegd dat in zijn visie het bouwen van marineschepen in de nabije toekomst het best kon worden uitbesteed aan particuliere werven. Daar moesten ook drijvende droogdokken worden gebouwd om de stalen schepen te kunnen onderhouden. Een van de locaties die hij op het oog had was het terrein van de Vlissingse marinewerf. Dat moest worden verkocht aan de hoogste bieder met het beste bedrijfsplan.
Het zou nog twaalf jaar duren voordat hij zijn zin kreeg. In 1875 was de inbreng van Tideman doorslaggevend bij de verwerving door Arie Smit van de terreinen en de opstallen van de marinewerf voor de bouw van de nieuwe werf: De Schelde. En de rest is geschiedenis, al blijft het bovenstaande verhaal over de ideeën van Tideman met betrekking tot de verkoop van het werfterrein en de twaalf jaar die verstreek voordat dit eindelijk werd gerealiseerd, een beetje knagen. Of herhaalt de geschiedenis zich écht, af en toe?
(107) Drie dagen feest
Op 8, 9 en 10 september 1873 beleefde Vlissingen een feest zoals dat al meer dan een eeuw niet meer had plaatsgevonden. De aanleiding was dan ook niet gering. Voor het eerst sinds 1613 had Vlissingen weer nieuw havenoppervlak erbij gekregen en het was meteen zeer fors: de bestaande 12 hectare werd meer dan verdrievoudigd, naar 38 hectare. De lengte van de kaden was verdubbeld: van vijf naar tien kilometer. Er waren drie havens bijgekomen: de Eerste en Tweede Binnenhaven en de Buitenhaven. Daarnaast was er de uitloop van het eveneens nieuwe Kanaal door Walcheren waar ook schepen konden afmeren en werd de spoorlijn naar Middelburg geopend waardoor Vlissingen voor het eerst in haar geschiedenis een doorlopende verbinding kreeg met het vaste land van Nederland en daarmee van Europa.
Het drie dagen durende festijn, waarbij op de eerste dag ook koning Willem de Derde en zijn broer Prins Hendrik aanwezig waren, stak schril af bij de situatie waarin Vlissingen verkeerde: een uit de jas gegroeide arbeidersstad, waar nauwelijks nog bedrijvigheid was. De in 1814 opgerichte Marinewerf was in 1868 van overheidswege verplaatst naar Holland, de havens waren leeg en in de paar fabriekjes die er stonden, was werk voor slechts enkele honderden mensen. Tussen 1862, toen de eerste geruchten over de verhuizing rondgingen en 1873, hadden ongeveer 2.500 mensen de stad verlaten. Inclusief gezinsleden waren dat 500 tot 600 kostwinners. Door de sluiting zelf werden 382 mensen werkloos. Van hen was het grootste deel ook al vertrokken en voor degenen die overbleven was er nauwelijks werk. In september 1873 kon men nog niet inschatten hoe de toekomst er werkelijk zou gaan uitzien. Dat er een behoorlijke dosis optimisme aanwezig was bij zowel het gemeentebestuur als de bevolking, zal niemand verbazen. De nood was hoog en het voltooien van de nieuwe havens, het kanaal en de spoorlijn hadden het idee doen postvatten dat de stad binnen afzienbare tijd weer welvarend zou zijn. Het bericht dat er een feest van maar liefst drie dagen zou komen, had waarschijnlijk de laatste sceptici over de streep getrokken. Zelf in de achttiende eeuw duurde een feest in Vlissingen niet langer dan één dag.
Van de festiviteiten is een uitgebreid verslag gemaakt door de Middelburger Coenraads Pieterse die alle drie de dagen aanwezig was. Nog in hetzelfde jaar lag het boekje dat hij ervan maakte, in de Zeeuwse boekwinkels voor 75 cent. De opbrengst zou, onder aftrek van de gemaakte onkosten, ten goede komen van een kanonnier die tijdens de plechtigheden in aanwezigheid van de koning, een arm verloor en "... voor wien de feesten van Vlissingen 't begin zijn geweest van zijn volgend kommervol leven."
Het drie dagen durende festijn, waarbij op de eerste dag ook koning Willem de Derde en zijn broer Prins Hendrik aanwezig waren, stak schril af bij de situatie waarin Vlissingen verkeerde: een uit de jas gegroeide arbeidersstad, waar nauwelijks nog bedrijvigheid was. De in 1814 opgerichte Marinewerf was in 1868 van overheidswege verplaatst naar Holland, de havens waren leeg en in de paar fabriekjes die er stonden, was werk voor slechts enkele honderden mensen. Tussen 1862, toen de eerste geruchten over de verhuizing rondgingen en 1873, hadden ongeveer 2.500 mensen de stad verlaten. Inclusief gezinsleden waren dat 500 tot 600 kostwinners. Door de sluiting zelf werden 382 mensen werkloos. Van hen was het grootste deel ook al vertrokken en voor degenen die overbleven was er nauwelijks werk. In september 1873 kon men nog niet inschatten hoe de toekomst er werkelijk zou gaan uitzien. Dat er een behoorlijke dosis optimisme aanwezig was bij zowel het gemeentebestuur als de bevolking, zal niemand verbazen. De nood was hoog en het voltooien van de nieuwe havens, het kanaal en de spoorlijn hadden het idee doen postvatten dat de stad binnen afzienbare tijd weer welvarend zou zijn. Het bericht dat er een feest van maar liefst drie dagen zou komen, had waarschijnlijk de laatste sceptici over de streep getrokken. Zelf in de achttiende eeuw duurde een feest in Vlissingen niet langer dan één dag.
Van de festiviteiten is een uitgebreid verslag gemaakt door de Middelburger Coenraads Pieterse die alle drie de dagen aanwezig was. Nog in hetzelfde jaar lag het boekje dat hij ervan maakte, in de Zeeuwse boekwinkels voor 75 cent. De opbrengst zou, onder aftrek van de gemaakte onkosten, ten goede komen van een kanonnier die tijdens de plechtigheden in aanwezigheid van de koning, een arm verloor en "... voor wien de feesten van Vlissingen 't begin zijn geweest van zijn volgend kommervol leven."
(106) Wie was Adriaen Verdoel?
Mijn eerste levensmaanden in de zomer van 1952 bracht ik door in de Adriaen Verdoelstraat. Nummer 18 om precies te zijn. Ik weet daar niets meer van, want toen ik een paar maanden oud was verhuisde ons gezin naar de Bonedijkestraat, waar ik echt ben opgegroeid. Eerst in het oude gedeelte bij de Bonedijkeschool en later in het nieuwe. Dat waren flats met een aparte ruimte om je te wassen. Er was zelfs een lavet: een soort vergrote gootsteen waarin kinderen konden zitten.
Terug naar de Adriaen Verdoelstraat, genoemd naar de enige zeventiende-eeuwse schilder van enige betekenis die Vlissingen heeft voortgebracht. Het niveau van het culturele klimaat in de stad was niet bijster hoog. Behalve een vereniging van Vlissingse amateurdichters, de Blaue Acolye, was er weinig te doen. Dat gold overigens voor heel Zeeland. Hebben we bij de naam “Gouden Eeuw”, naast de economische voorspoed, ook vaak de associatie met de enorme opleving die de kunstsector in de Republiek beleefde, aan Zeeland ging deze bijwerking van de welvaart grotendeels voorbij. Er werd wel geschilderd, gebeeldhouwd, gedicht, geschreven en toneelgespeeld, het uitzonderlijk hoge en internationale niveau dat in de Hollandse steden werd bereikt en dat gerepresenteerd werd door onder andere Rembrandt van Rijn en Johannes Vermeer, was in Zeeland ver te zoeken. Hoewel niet aantoonbaar, kunnen we er gerust van uit gaan dat deze situatie mede het gevolg was van de strenge vorm van het calvisme zoals die in het gewest werd beleden, wars van ijdelheid en uiterlijk vertoon. Vlissingen vormde op dit beeld geen uitzondering.
De enige schilder van wie dus wel een aantal werken bekend is, is Adriaen Verdoel, waarvan we niet het geboortejaar kennen, maar wel het sterfjaar: 1675. In het depot van het Rijksmuseum is een potloodtekening te vinden van Adriaen Verdoel: Liggend zwijn. Op internationale kunstveilingen worden tegenwoordig bedragen van enkele duizenden tot enkele tienduizenden euro’s betaald voor zijn werk. Niet veel dus, zeker niet wanneer we het vergelijken met de miljoenen die voor de beroemde Hollandse meesters uit deze tijd worden uitgegeven. Volgens sommigen had Verdoel het vak geleerd van Rembrandt. In zijn schilderijen is inderdaad sprake van een zekere verwantschap met deze Amsterdamse schilder. Verdoel was ook een niet onverdienstelijk dichter en behaalde meerdere keren de eerste prijs in de wedstrijden van de Blaue Acolye. Hij ging om met de grote zeventiende-eeuwse dichter Joannes Antonides van der Goes, hetgeen doet vermoeden dat hij wellicht meer in zijn mars had dan de beste te zijn van een lokaal genootschapje. Helaas zijn er tot op heden geen gedichten van Verdoel bekend, maar misschien hebben we toch te maken met een vroege voorloper van wat voor Vlissingen wél een culturele Gouden Eeuw zou worden: de achttiende eeuw, waarin de stad nationale beroemdheden als Jacobus Bellamy, Betje Wolf en Antony van der Woordt zou voortbrengen.
Terug naar de Adriaen Verdoelstraat, genoemd naar de enige zeventiende-eeuwse schilder van enige betekenis die Vlissingen heeft voortgebracht. Het niveau van het culturele klimaat in de stad was niet bijster hoog. Behalve een vereniging van Vlissingse amateurdichters, de Blaue Acolye, was er weinig te doen. Dat gold overigens voor heel Zeeland. Hebben we bij de naam “Gouden Eeuw”, naast de economische voorspoed, ook vaak de associatie met de enorme opleving die de kunstsector in de Republiek beleefde, aan Zeeland ging deze bijwerking van de welvaart grotendeels voorbij. Er werd wel geschilderd, gebeeldhouwd, gedicht, geschreven en toneelgespeeld, het uitzonderlijk hoge en internationale niveau dat in de Hollandse steden werd bereikt en dat gerepresenteerd werd door onder andere Rembrandt van Rijn en Johannes Vermeer, was in Zeeland ver te zoeken. Hoewel niet aantoonbaar, kunnen we er gerust van uit gaan dat deze situatie mede het gevolg was van de strenge vorm van het calvisme zoals die in het gewest werd beleden, wars van ijdelheid en uiterlijk vertoon. Vlissingen vormde op dit beeld geen uitzondering.
De enige schilder van wie dus wel een aantal werken bekend is, is Adriaen Verdoel, waarvan we niet het geboortejaar kennen, maar wel het sterfjaar: 1675. In het depot van het Rijksmuseum is een potloodtekening te vinden van Adriaen Verdoel: Liggend zwijn. Op internationale kunstveilingen worden tegenwoordig bedragen van enkele duizenden tot enkele tienduizenden euro’s betaald voor zijn werk. Niet veel dus, zeker niet wanneer we het vergelijken met de miljoenen die voor de beroemde Hollandse meesters uit deze tijd worden uitgegeven. Volgens sommigen had Verdoel het vak geleerd van Rembrandt. In zijn schilderijen is inderdaad sprake van een zekere verwantschap met deze Amsterdamse schilder. Verdoel was ook een niet onverdienstelijk dichter en behaalde meerdere keren de eerste prijs in de wedstrijden van de Blaue Acolye. Hij ging om met de grote zeventiende-eeuwse dichter Joannes Antonides van der Goes, hetgeen doet vermoeden dat hij wellicht meer in zijn mars had dan de beste te zijn van een lokaal genootschapje. Helaas zijn er tot op heden geen gedichten van Verdoel bekend, maar misschien hebben we toch te maken met een vroege voorloper van wat voor Vlissingen wél een culturele Gouden Eeuw zou worden: de achttiende eeuw, waarin de stad nationale beroemdheden als Jacobus Bellamy, Betje Wolf en Antony van der Woordt zou voortbrengen.
(105) Vlissingen contra Middelburg
In de eerste eeuw dat Vlissingen als stad bestond, waren er nauwe banden met de buurstad Middelburg. De steden hielpen elkaar waar nodig in de harde strijd om het bestaan, waarbij overstromingen en vijandelijke aanvallen van buiten het eiland aan de orde van de dag waren. Inwoners van Middelburg hielpen de Vlissingers de gaten in hun dijken te dichten en de Vlissingers sprongen op hun beurt weer bij wanneer Vlaamse troepen het voorzien hadden op Middelburg. Beide steden hadden daar natuurlijk voordeel bij: een goede buur was ook toen al beter dan een verre vriend.
Middelburg had veel meer macht dan Vlissingen: de stad was ouder, groter, rijker, voornamer. Het was een van de bestuurlijke centra van de Vlaamse graven. Vlissingen was voornamelijk een vissersstad, de grootste van Zeeland. Maar de Vlissingers wilden meer. Zij wilden ook handelen in wijn, textiel en wol. Dat was niet naar de zin van Middelburg. Er bestaan in de archieven zeker tien brieven waarbij de Middelburgers zich beklaagden over de Vlissingers. Dat kwam in 1441 tot een climax. Middelburg probeerde Vlissingen op te kopen. Dat hadden ze eerder succesvol gedaan met Arnemuiden. Maar ook de familie Van Borssele aasde in die tijd op Vlissingen. En die waren nóg handiger, waardoor de Middelburgers het nakijken hadden.
Met de relatie tussen de steden is het daarna nooit meer goed gekomen. In 1546 wilde Vlissingen een haven. Keizer Karel V vond dat goed, op voorwaarde dat er alleen in haring werd gehandeld. Een streek van de Middelburgers, die bang waren dat de Vlissingers in veel meer zouden gaan handelen dan in haring. De haven ging dus niet door. Maar er waren ook momenten dat Middelburg het onderspit delfde, zoals in 1572. Vlissingen had de Spanjaarden de stad uit gezet en zich daarmee oranjegezind getoond. Dat werd door Willem van Oranje beloond met een nieuwe haven en een groot aantal handelsrechten. Pas twee jaar daarna, in 1574, werd het Spaansgezinde Middelburg ontzet. Willem van Oranje gaf de stad hoge boetes en ontnam haar, tot groot genoegen van de Vlissingers, de meeste rechten. Maar Middelburg was zó rijk dat ze er al gauw weer bovenop kwamen. Nog geen tien jaar later waren ze alweer de tweede stad van de Nederlanden.
De irritaties bleven. Alle officiële handel verliep via de Merchant Adventurers, een sjiek handelsgilde uit Engeland dat een kantoor had in Middelburg. Daarbuiten ontstond echter ook een levendige handel, die als smokkel werd bestempeld. De Vlissingers deden daar vrolijk aan mee. Het hoofdkantoor van de Merchant Adventurers in Londen gaf Middelburg daarom de opdracht de Vlissingers in het gareel te houden. Maar ja, de Middelburgers droegen witte kragen en hadden niks te zeggen over het ruige volk in Vlissingen. De Engelsen zijn uiteindelijk wel uit Middelburg vertrokken, maar alleen omdat het er volgens hen stonk.
Er was ook onenigheid over de vestiging van de Zeeuwse Admiraliteit. Dit instituut, dat de kaapvaart moest reguleren, vestigde zich in Vlissingen. Maar ook Middelburg wilde het kantoor hebben en dus begon de stad een georganiseerde campagne tegen Vlissingen. De beschuldiging luidde dat de Vlissingse kaperkapiteins niet de volledige lading opgaven, en dus een deel achterover drukten. Middelburg had gelijk, daar is geen twijfel over, maar Vlissingen raakte wel de admiraliteit kwijt.
De twee steden zijn nog steeds zeer verschillend: keurig tegenover ruig, Anton Pieck en Karel Appel, The Beatles en de Stones, gerestaureerd en nieuwbouw, de Lange Delft en de Walstraat. Zoek de tien verschillen. En toch zou het goed zijn wanneer we gaan werken aan één grote gemeente Walcheren. De recente geschiedenis geeft daarvoor de argumenten: de maffiose streken die zijn uitgehaald met het ziekenhuis konden niet worden bestreden door de drie Walcherse gemeentes afzonderlijk. Een gefuseerde gemeente van 115.000 inwoners had dat wel gekund.
Middelburg had veel meer macht dan Vlissingen: de stad was ouder, groter, rijker, voornamer. Het was een van de bestuurlijke centra van de Vlaamse graven. Vlissingen was voornamelijk een vissersstad, de grootste van Zeeland. Maar de Vlissingers wilden meer. Zij wilden ook handelen in wijn, textiel en wol. Dat was niet naar de zin van Middelburg. Er bestaan in de archieven zeker tien brieven waarbij de Middelburgers zich beklaagden over de Vlissingers. Dat kwam in 1441 tot een climax. Middelburg probeerde Vlissingen op te kopen. Dat hadden ze eerder succesvol gedaan met Arnemuiden. Maar ook de familie Van Borssele aasde in die tijd op Vlissingen. En die waren nóg handiger, waardoor de Middelburgers het nakijken hadden.
Met de relatie tussen de steden is het daarna nooit meer goed gekomen. In 1546 wilde Vlissingen een haven. Keizer Karel V vond dat goed, op voorwaarde dat er alleen in haring werd gehandeld. Een streek van de Middelburgers, die bang waren dat de Vlissingers in veel meer zouden gaan handelen dan in haring. De haven ging dus niet door. Maar er waren ook momenten dat Middelburg het onderspit delfde, zoals in 1572. Vlissingen had de Spanjaarden de stad uit gezet en zich daarmee oranjegezind getoond. Dat werd door Willem van Oranje beloond met een nieuwe haven en een groot aantal handelsrechten. Pas twee jaar daarna, in 1574, werd het Spaansgezinde Middelburg ontzet. Willem van Oranje gaf de stad hoge boetes en ontnam haar, tot groot genoegen van de Vlissingers, de meeste rechten. Maar Middelburg was zó rijk dat ze er al gauw weer bovenop kwamen. Nog geen tien jaar later waren ze alweer de tweede stad van de Nederlanden.
De irritaties bleven. Alle officiële handel verliep via de Merchant Adventurers, een sjiek handelsgilde uit Engeland dat een kantoor had in Middelburg. Daarbuiten ontstond echter ook een levendige handel, die als smokkel werd bestempeld. De Vlissingers deden daar vrolijk aan mee. Het hoofdkantoor van de Merchant Adventurers in Londen gaf Middelburg daarom de opdracht de Vlissingers in het gareel te houden. Maar ja, de Middelburgers droegen witte kragen en hadden niks te zeggen over het ruige volk in Vlissingen. De Engelsen zijn uiteindelijk wel uit Middelburg vertrokken, maar alleen omdat het er volgens hen stonk.
Er was ook onenigheid over de vestiging van de Zeeuwse Admiraliteit. Dit instituut, dat de kaapvaart moest reguleren, vestigde zich in Vlissingen. Maar ook Middelburg wilde het kantoor hebben en dus begon de stad een georganiseerde campagne tegen Vlissingen. De beschuldiging luidde dat de Vlissingse kaperkapiteins niet de volledige lading opgaven, en dus een deel achterover drukten. Middelburg had gelijk, daar is geen twijfel over, maar Vlissingen raakte wel de admiraliteit kwijt.
De twee steden zijn nog steeds zeer verschillend: keurig tegenover ruig, Anton Pieck en Karel Appel, The Beatles en de Stones, gerestaureerd en nieuwbouw, de Lange Delft en de Walstraat. Zoek de tien verschillen. En toch zou het goed zijn wanneer we gaan werken aan één grote gemeente Walcheren. De recente geschiedenis geeft daarvoor de argumenten: de maffiose streken die zijn uitgehaald met het ziekenhuis konden niet worden bestreden door de drie Walcherse gemeentes afzonderlijk. Een gefuseerde gemeente van 115.000 inwoners had dat wel gekund.
(104) Pierre le Turcq
De twee enige Vlissingse kapers die in de achttiende eeuw roem zouden vergaren waren van Franse afkomst: Pierre le Turcq en Nicolaas Jarry. Beide vestigden zich omstreeks 1781 in de Scheldestad ten tijde van de Vierde Engelse Oorlog, op zoek naar avontuur en vooral inkomen. Omdat Frankrijk even niet in een oorlog was verwikkeld en de Republiek wel, was de verhuizing van de Franse kapers een logische: vanuit Vlissingen kon op Engelse koopvaardijschepen worden gejaagd en die hadden doorgaans rijke ladingen aan boord. Ook de keuze voor Vlissingen is niet moeilijk te verklaren: daar was nog steeds een van de beste en makkelijkst toegankelijke havens van de Republiek aanwezig en de reders daar investeerden maar wat graag in de nieuwe mogelijkheden die de kaapvaart bood nu het weer was toegestaan. De meeste Vlissingers hadden nog nooit oorlog meegemaakt en het ontbrak de stad aan ervaren kapers. De Vlissingse reders moeten de Fransen dan ook met enthousiasme hebben ontvangen. Hoewel de ervaring ontbrak, was men wel nog steeds op de hoogte van de mogelijkheden.
Pierre le Turcq, de oorlogsnaam voor Ghyslain du Plessis, was visser, smokkelaar en zeerover en waarschijnlijk afkomstig van Duinkerken. Hij verhuisde in 1781 naar Vlissingen, waar zijn roem hem was vooruitgesneld en hij in dienst kon treden bij de rederij van de familie Nortier. Hij kreeg in september van dat jaar het bevel over een klein sloepschip, De Jager, waarop veertien stukken geschut waren geïnstalleerd en veroverde binnen enkele dagen vier volgeladen Engelse koopvaardijschepen. De reis liep echter niet goed af, omdat hij al snel werd opgespoord door vijandelijke oorlogsschepen die hem achtervolgden tot aan de kust bij den Haag. Zijn buit ging verloren, maar de manier waarop hij deze eerste klus had geklaard maakte zoveel indruk dat hij het bevel kreeg over een iets groter schip, De Vlissinger, met 18 stukken geschut en 54 bemanningsleden. Tijdens de reizen die volgden behaalde hij louter overwinningen en de buit die hij veroverde, vertegenwoordigde een totale waarde van enkele honderdduizenden guldens. Als beloning ontving Den Turcq, naast zijn loon en winstdeling, een eresabel en een zilveren degenplaat met het stadswapen. Wanneer hij in de haven terugkeerde, klonken er saluutschoten en werd er in de kerken voor hem gebeden.
Kort daarop kreeg de Duinkerkse Vlissinger een speciaal voor hem gebouwd nieuw schip, De Zeeuw, dat sterker en sneller was dan de vorige twee. Het toont aan dat de Vlissingse reders veel zagen in de capaciteiten van Le Turcq en daarin wilden investeren. De eerste reis met De Zeeuw liep echter niet goed af. Het schip werd ontdekt door het Engelse fregat The Defiance, die direct de confrontatie zocht. Tijdens het bloedige gevecht dat volgde kwamen eenentwintig mannen om het leven en vielen er zeventien gewonden, waaronder de kapitein zelf. De Engelsen wonnen de slag en namen de overlevenden gevangen. In Engeland kon den Turcq herstellen van zijn verwondingen. Zodra de kans zich voordeed wist hij te ontsnappen en terug te keren naar Vlissingen. Daar werd hem een nieuw schip beloofd dat nog moest worden gebouwd, maar omdat kort daarop de vrede met Engeland werd getekend, werd dit project niet voltooid en was het ook met de bijdrage van le Turcq aan de Vlissingse geschiedenis gedaan.
Pierre le Turcq, de oorlogsnaam voor Ghyslain du Plessis, was visser, smokkelaar en zeerover en waarschijnlijk afkomstig van Duinkerken. Hij verhuisde in 1781 naar Vlissingen, waar zijn roem hem was vooruitgesneld en hij in dienst kon treden bij de rederij van de familie Nortier. Hij kreeg in september van dat jaar het bevel over een klein sloepschip, De Jager, waarop veertien stukken geschut waren geïnstalleerd en veroverde binnen enkele dagen vier volgeladen Engelse koopvaardijschepen. De reis liep echter niet goed af, omdat hij al snel werd opgespoord door vijandelijke oorlogsschepen die hem achtervolgden tot aan de kust bij den Haag. Zijn buit ging verloren, maar de manier waarop hij deze eerste klus had geklaard maakte zoveel indruk dat hij het bevel kreeg over een iets groter schip, De Vlissinger, met 18 stukken geschut en 54 bemanningsleden. Tijdens de reizen die volgden behaalde hij louter overwinningen en de buit die hij veroverde, vertegenwoordigde een totale waarde van enkele honderdduizenden guldens. Als beloning ontving Den Turcq, naast zijn loon en winstdeling, een eresabel en een zilveren degenplaat met het stadswapen. Wanneer hij in de haven terugkeerde, klonken er saluutschoten en werd er in de kerken voor hem gebeden.
Kort daarop kreeg de Duinkerkse Vlissinger een speciaal voor hem gebouwd nieuw schip, De Zeeuw, dat sterker en sneller was dan de vorige twee. Het toont aan dat de Vlissingse reders veel zagen in de capaciteiten van Le Turcq en daarin wilden investeren. De eerste reis met De Zeeuw liep echter niet goed af. Het schip werd ontdekt door het Engelse fregat The Defiance, die direct de confrontatie zocht. Tijdens het bloedige gevecht dat volgde kwamen eenentwintig mannen om het leven en vielen er zeventien gewonden, waaronder de kapitein zelf. De Engelsen wonnen de slag en namen de overlevenden gevangen. In Engeland kon den Turcq herstellen van zijn verwondingen. Zodra de kans zich voordeed wist hij te ontsnappen en terug te keren naar Vlissingen. Daar werd hem een nieuw schip beloofd dat nog moest worden gebouwd, maar omdat kort daarop de vrede met Engeland werd getekend, werd dit project niet voltooid en was het ook met de bijdrage van le Turcq aan de Vlissingse geschiedenis gedaan.
(103) Van mensenredder tot vuurtorenwachter
Een van de Vlissingse zeehelden waar we in de stadsgeschiedenis van Vlissingen niet omheen kunnen is Frans Naerebout. Anders dan zijn zeventiende-eeuwse voorgangers was hij geen kaper, maar een visser die later loods werd. Naerebout staat model voor de vele andere Vlissingse loodsen en reddingswerkers die door de eeuwen heen honderden zeelieden van de verdrinkingsdood hebben gered. Er zijn gedichten, verhalen en boeken over hem geschreven en er staat sinds 1919 een standbeeld in Vlissingen.
Naerebout was de zoon van een Veerse visser die omstreeks 1750 met zijn gezin naar Vlissingen verhuisde om daar zijn bedrijf voort te zetten. Frans werd eerst visser, later loods en kreeg op dertigjarige leeftijd nationale bekendheid door de redding van 87 bemanningsleden van het voor de kust van Zoutelande in moeilijkheden geraakte schip De Woestduin. Deze volgeladen Oost-Indiëvaarder was, op de terugweg van Batavia naar Middelburg, op 27 juli 1779 op een zandbank gelopen. Het was stormachtig weer en het schip werd aanhoudend overspoeld door enorme golven, waardoor de bemanning ernstig in gevaar kwam. Dit schouwspel was te zien vanaf het strand en de duinen en vermoedelijk waren er honderden mensen op het drama afgekomen. Men oordeelde het onmogelijk om een reddingsactie te ondernemen. In Vlissingen was op die avond de jaarlijkse kermis gaande, maar het bericht van het schip in nood had velen naar het strand gelokt. Ook Naerebout, die besloot om toch een reddingspoging te wagen. Samen met zijn broer Jacob en zeven andere mannen maakten ze een klein schip zeilklaar, wachtten tot het tij gunstig was en staken van wal, richting de Woestduin. Na een aantal mislukte pogingen gelukte het hen om bij het wrak te komen en 71 van de 129 bemanningsleden te redden. Van de overgebleven zeelieden kon Naerebout er de volgende ochtend nog eens zestien veilig aan land brengen. Deze heldendaad van Naerebout en zijn kompanen was direct landelijk nieuws. De broers werden overladen met beloningen en eerbewijzen. Zij ontvingen van de Oost-Indische Compagnie achttienhonderd gulden en van de Hollandsche Maatschappy der Weetenschappen in Haarlem een gouden medaille.
Na deze voor de broers Naerebout plezierige fase in hun leven, pakten beide hun dagelijkse bezigheden weer op. Jacob was en bleef visser, maar overleed een paar jaar later en Frans vervolgde in 1784 zijn loopbaan als loods bij de Oost-Indische Compagnie, waar hij regelmatig ook reddingen verrichtte. Gedurende de Franse tijd was Engeland de vijand en werd Naerebout tijdens een van zijn reizen gevangen genomen. Hij wist te ontsnappen en kon zich na terugkomst in Vlissingen weer verdienstelijk maken als loods. In de snel armer wordende stad werden de klussen, mede door de nagenoeg tot stilstand gekomen koopvaardij, voor zijn beroepsgroep echter steeds minder en het werk dat er was, werd steeds vaker gegund aan jongere collega's. Naerebout was inmiddels de zestig jaar gepasseerd en moest op zoek naar aanvullende inkomsten, die hij vond in de garnalenvisserij. In 1809 kreeg hij daar een baantje bij als haven- en sluismeester van de kort daarvoor ingedijkte Wilhelminapolder. Nadat de Fransen uit Vlissingen waren vertrokken kreeg hij een aanstelling als vuurtorenwachter in Goes. In 1816 haalde het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen hem uit de vergetelheid en kreeg hij honderd gulden voor bewezen diensten in het verleden. Eenzelfde bedrag ontving hij een jaar later van het Nutsdepartement in Goes. In datzelfde jaar werd hij door koning Willem de Eerste benoemd als Broeder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw, waardoor hij een jaarlijkse vaste uitkering ontving. Naerebout overleed in 1818 op zeventigjarige leeftijd.
Naerebout was de zoon van een Veerse visser die omstreeks 1750 met zijn gezin naar Vlissingen verhuisde om daar zijn bedrijf voort te zetten. Frans werd eerst visser, later loods en kreeg op dertigjarige leeftijd nationale bekendheid door de redding van 87 bemanningsleden van het voor de kust van Zoutelande in moeilijkheden geraakte schip De Woestduin. Deze volgeladen Oost-Indiëvaarder was, op de terugweg van Batavia naar Middelburg, op 27 juli 1779 op een zandbank gelopen. Het was stormachtig weer en het schip werd aanhoudend overspoeld door enorme golven, waardoor de bemanning ernstig in gevaar kwam. Dit schouwspel was te zien vanaf het strand en de duinen en vermoedelijk waren er honderden mensen op het drama afgekomen. Men oordeelde het onmogelijk om een reddingsactie te ondernemen. In Vlissingen was op die avond de jaarlijkse kermis gaande, maar het bericht van het schip in nood had velen naar het strand gelokt. Ook Naerebout, die besloot om toch een reddingspoging te wagen. Samen met zijn broer Jacob en zeven andere mannen maakten ze een klein schip zeilklaar, wachtten tot het tij gunstig was en staken van wal, richting de Woestduin. Na een aantal mislukte pogingen gelukte het hen om bij het wrak te komen en 71 van de 129 bemanningsleden te redden. Van de overgebleven zeelieden kon Naerebout er de volgende ochtend nog eens zestien veilig aan land brengen. Deze heldendaad van Naerebout en zijn kompanen was direct landelijk nieuws. De broers werden overladen met beloningen en eerbewijzen. Zij ontvingen van de Oost-Indische Compagnie achttienhonderd gulden en van de Hollandsche Maatschappy der Weetenschappen in Haarlem een gouden medaille.
Na deze voor de broers Naerebout plezierige fase in hun leven, pakten beide hun dagelijkse bezigheden weer op. Jacob was en bleef visser, maar overleed een paar jaar later en Frans vervolgde in 1784 zijn loopbaan als loods bij de Oost-Indische Compagnie, waar hij regelmatig ook reddingen verrichtte. Gedurende de Franse tijd was Engeland de vijand en werd Naerebout tijdens een van zijn reizen gevangen genomen. Hij wist te ontsnappen en kon zich na terugkomst in Vlissingen weer verdienstelijk maken als loods. In de snel armer wordende stad werden de klussen, mede door de nagenoeg tot stilstand gekomen koopvaardij, voor zijn beroepsgroep echter steeds minder en het werk dat er was, werd steeds vaker gegund aan jongere collega's. Naerebout was inmiddels de zestig jaar gepasseerd en moest op zoek naar aanvullende inkomsten, die hij vond in de garnalenvisserij. In 1809 kreeg hij daar een baantje bij als haven- en sluismeester van de kort daarvoor ingedijkte Wilhelminapolder. Nadat de Fransen uit Vlissingen waren vertrokken kreeg hij een aanstelling als vuurtorenwachter in Goes. In 1816 haalde het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen hem uit de vergetelheid en kreeg hij honderd gulden voor bewezen diensten in het verleden. Eenzelfde bedrag ontving hij een jaar later van het Nutsdepartement in Goes. In datzelfde jaar werd hij door koning Willem de Eerste benoemd als Broeder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw, waardoor hij een jaarlijkse vaste uitkering ontving. Naerebout overleed in 1818 op zeventigjarige leeftijd.
(102) De oorsprong van Vlissingen (2)
Buiten het dorp Vlissingen, aan de monding van de kreek, stond op het eind van de dertiende eeuw nog een gebouw: het gasthuis. Dat weten we zeker omdat we over een document uit 1271 kunnen beschikken waarin staat dat het gasthuis op 18 oktober van dat jaar een schenking ontving van Aleid, weduwe van de graaf van Henegouwen en zuster van de graaf van Holland en tevens koning van het Duitse Rijk, Willem II. Het “hospitali in Vlissigghen" ontving vijf pond. Het is waarschijnlijk dat dit gasthuis niet in het dorp lag, maar erbuiten, langs de kreek waar die nog bevaarbaar was en het voetveer naar Vlaanderen haar aanlegplaats had.
Het gasthuis was dus al voor 1271 gebouwd en diende, naast het opvangen van zieken, ook voor het bieden van een slaapplaats aan reizigers. Mogelijk was er ook een veerhuis waar reizigers konden eten en drinken en wellicht slapen. Het veer bestond waarschijnlijk al gedurende de hele dertiende eeuw en mogelijk zelfs eerder. Het zuidelijkste deel van Walcheren lag nu eenmaal het dichtst bij Vlaanderen. Omdat er geregelde handelscontacten waren tussen Middelburg, de enige stad die ook buiten Walcheren aanzien had, en de Vlaamse steden, maar ook omdat Walcheren een groot deel van de twaalfde en dertiende eeuw bij Vlaanderen hoorde, was een geregelde veerdienst tussen de eilanden pure noodzaak. Middelburg was een bestuurlijk en kerkelijk centrum in het toenmalige Vlaanderen. De stad had ook een eigen haven die via de Arne, een getijdenkreek, in verbinding stond met het Sloe. Het veer bij het dorp Vlissingen diende daarom vooral personen- en postvervoer.
De eerste ambachtsheer van Vlissingen die we bij naam kennen was Wisse Gilliszoon van Koudekerke. De grond waarop het dorp Vlissingen werd gebouwd behoorde gedurende het grootste gedeelte van de dertiende eeuw tot de bezittingen van zijn familie. De mannelijke stamhouders waren al geruime tijd ambachtsheren van Koudekerke. Zij bezaten daarnaast veel grond op het eiland. In de middeleeuwen vielen bezit en bestuur niet altijd samen. Ieder dorp, toen ambachtsheerlijkheid geheten, werd bestuurd door een ambachtsheer. Soms had deze bezittingen in het dorp, soms ook niet. In het laatste geval behoorden de heren tot de lagere adel. De Van Koudekerkes behoorden tot de hogere adel van Zeeland omdat zij bestuurders waren, maar ook bezit hadden. Na 1300 was de rol van deze familie op Walcheren uitgespeeld. Zij hadden veel geld verloren en moesten hun bezittingen verkopen. Vlissingen werd gekocht door graaf Floris V en die kreeg het idee om een echte stad te gaan bouwen, iets ten zuiden van het dorp, maar met dezelfde naam: Vlissingen.
Het gasthuis was dus al voor 1271 gebouwd en diende, naast het opvangen van zieken, ook voor het bieden van een slaapplaats aan reizigers. Mogelijk was er ook een veerhuis waar reizigers konden eten en drinken en wellicht slapen. Het veer bestond waarschijnlijk al gedurende de hele dertiende eeuw en mogelijk zelfs eerder. Het zuidelijkste deel van Walcheren lag nu eenmaal het dichtst bij Vlaanderen. Omdat er geregelde handelscontacten waren tussen Middelburg, de enige stad die ook buiten Walcheren aanzien had, en de Vlaamse steden, maar ook omdat Walcheren een groot deel van de twaalfde en dertiende eeuw bij Vlaanderen hoorde, was een geregelde veerdienst tussen de eilanden pure noodzaak. Middelburg was een bestuurlijk en kerkelijk centrum in het toenmalige Vlaanderen. De stad had ook een eigen haven die via de Arne, een getijdenkreek, in verbinding stond met het Sloe. Het veer bij het dorp Vlissingen diende daarom vooral personen- en postvervoer.
De eerste ambachtsheer van Vlissingen die we bij naam kennen was Wisse Gilliszoon van Koudekerke. De grond waarop het dorp Vlissingen werd gebouwd behoorde gedurende het grootste gedeelte van de dertiende eeuw tot de bezittingen van zijn familie. De mannelijke stamhouders waren al geruime tijd ambachtsheren van Koudekerke. Zij bezaten daarnaast veel grond op het eiland. In de middeleeuwen vielen bezit en bestuur niet altijd samen. Ieder dorp, toen ambachtsheerlijkheid geheten, werd bestuurd door een ambachtsheer. Soms had deze bezittingen in het dorp, soms ook niet. In het laatste geval behoorden de heren tot de lagere adel. De Van Koudekerkes behoorden tot de hogere adel van Zeeland omdat zij bestuurders waren, maar ook bezit hadden. Na 1300 was de rol van deze familie op Walcheren uitgespeeld. Zij hadden veel geld verloren en moesten hun bezittingen verkopen. Vlissingen werd gekocht door graaf Floris V en die kreeg het idee om een echte stad te gaan bouwen, iets ten zuiden van het dorp, maar met dezelfde naam: Vlissingen.
(101) De oorsprong van Vlissingen
Vlissingen mag dan in 2015 wel 700 jaar bestaan als stad, de plaats Vlissingen is veel ouder: ruim 850 jaar. Eerst was er namelijk het dorpje Vlissingen, dat omstreeks 1150 ontstond na de stormvloed van 1134 die het hele eiland Walcheren onder water zette.
Het zuidwestelijke puntje van Walcheren waarop Vlissingen ligt, moet na de stormvloed een aantrekkingskracht gehad hebben op lokale en regionale migranten. Het gebied werd als gevolg van de grootschalige dijkenaanleg die na de ramp op gang was gekomen, als redelijk veilig beoordeeld, er waren middelen aanwezig om snel en goedkoop huizen te bouwen, er was een natuurlijke haven en de veengrond zat vol met zout en brandstof, klaar om te delven. Men zal dus in eerste instantie niet aan veeteelt of akkerbouw hebben gedacht: daarvoor waren op het eiland betere gronden te vinden. Het gebied trok vooral vissers en zoutdelvers aan, beroepen die ook konden worden gecombineerd binnen gezinnen en families. Dat er voor 1235 al geruime tijd een dorp met de naam Vlissingen bestond is zeker. Het dorp was een parochie met een geestelijke en voldoende gelovigen. De organisatie viel nog wel onder de moederkerk van West-Souburg dat in die tijd groter, ouder en aanzienlijker was dan het nieuwbakken vissersdorpje aan de kreek.
Op de vraag in welk jaar Vlissingen precies is ontstaan kunnen we daarom met enige zekerheid antwoorden dat dit tussen 1134 en 1235 moet hebben plaatsgevonden. Nog wat preciezer: omdat er in 1235 al een kerk was en dus ook voldoende inwoners om dat te rechtvaardigen, zal het tijdstip van de eerste bewoning daar ruim voor hebben gelegen, vermoedelijk al rond 1150 toen de littekens van de stormvloed, op de kreek na, uit het landschap waren verdwenen. Voor bezoekers moet het een omgeving zijn geweest die bijna smeekte om te worden ontgonnen en gebruikt. Hetgeen in de jaren daarna ook gebeurde. Er kwamen er steeds meer huizen bij en er ontstonden economische verbanden tussen de vissers en de zoutdelvers, maar ook tussen deze beroepsgroepen en dienstverleners, handelaren en gelukszoekers: de boten moesten worden gebouwd, het vuile werk uitgevoerd en het zout, maar ook de vis die niet voor eigen consumptie was, verhandeld.
Op een tekening uit 1550 is het dorp Vlissingen, dat al was ontstaan in de twaalfde eeuw, goed te zien. De stad Vlissingen was op dat moment ook al weer bijna 250 jaar oud en voorzien van muren, poorten en grachten. Het dorp lag net buiten de meest noordelijke poort, was omringd met watergangen en bestond uit een kerk, een paar straatjes met huizen en een kasteel. Omdat het dorp vanaf het eind van de dertiende eeuw nooit meer zou worden uitgebreid, was dit ook ongeveer het beeld in de tijd dat graaf Floris V het idee kreeg om ten zuiden van het dorp een echte stad te bouwen. Dat gold in ieder geval voor het kerkje en voor het kasteel tussen het dorp en de stadspoort. De tekening uit 1550 laat dus het oorspronkelijke en volgroeide dorp zien en levert als zodanig een unieke blik op Vlissingen zoals het ook was in de dertiende eeuw. Wel moeten we de kustlijn tussen de stad en het dorp een halve kilometer naar het westen doortrekken omdat die honderd jaar later ontstond, na een reeks van zware stormvloeden. Vlissingen had, met andere woorden, in 1250 meer grond dan in 1550. Wat bleef was de structuur en de aanblik van het dorp. En natuurlijk het kasteel. Ook de watergangen dateerden naar alle waarschijnlijkheid uit de dertiende eeuw. In die tijd werden in een groot deel van Walcheren smalle kanalen gegraven ten behoeve van de waterhuishouding van het eiland. Mogelijk hebben deze weteringen ook een rol gespeeld bij het afgraven van het veen ten behoeve van de zoutwinning.
Speciale aandacht verdient de kerk van Oud-Vlissingen, de Sint-Petruskerk. Op de tekening van 1550 is duidelijk te zien hoe die was gebouwd: in de Romaanse stijl, die zich kenmerkte door boogvormige ramen en door twee achter elkaar gelegen rechthoekige gebouwen die met elkaar waren verbonden. Het kleinste, wat hogere gebouw, was het koor waarin het altaar stond. Het grootste, wat lagere deel, dat tegen de toren was aangebouwd, bevatte de zaal van de kerk. Er waren geen zijbeuken. De piramidevormige toren was vrij spits voor een romaanse kerk, maar kan van een latere periode zijn. Dit type kerk werd vooral in de twaalfde en dertiende eeuw gebouwd. De Gotische stijl, met de puntvormige ramen, kwam pas op het eind van de dertiende eeuw in zwang. De dorpskerk van Vlissingen was waarschijnlijk opgetrokken uit tufsteen, een zachte vulkanische steensoort die moest worden geïmporteerd uit berggebieden. Het dorp had ook een gemeentehuis, want er moest een plek zijn waar het dorpsbestuur en het gerechtshof, de vierschaar, haar zittingen konden houden.
Buiten het dorp Vlissingen, aan de monding van de kreek, stond op het eind van de dertiende eeuw nog een gebouw: het gasthuis. Dat weten we zeker omdat we over een document uit 1271 kunnen beschikken waarin staat dat het gasthuis op 18 oktober van dat jaar een schenking ontving van Aleid, weduwe van de graaf van Henegouwen en zuster van de graaf van Holland en tevens koning van het Duitse Rijk, Willem II. Het “hospitali in Vlissigghen" ontving vijf pond. Het is waarschijnlijk dat dit gasthuis niet in het dorp lag, maar erbuiten, langs de kreek waar die nog bevaarbaar was en het voetveer naar Vlaanderen haar aanlegplaats had.
Het gasthuis was dus al voor 1271 gebouwd en diende, naast het opvangen van zieken, ook voor het bieden van een slaapplaats aan reizigers. Mogelijk was er ook een veerhuis waar reizigers konden eten en drinken en wellicht slapen. Het veer bestond waarschijnlijk al gedurende de hele dertiende eeuw en mogelijk zelfs eerder. Het zuidelijkste deel van Walcheren lag nu eenmaal het dichtst bij Vlaanderen. Omdat er geregelde handelscontacten waren tussen Middelburg, de enige stad die ook buiten Walcheren aanzien had, en de Vlaamse steden, maar ook omdat Walcheren een groot deel van de twaalfde en dertiende eeuw bij Vlaanderen hoorde, was een geregelde veerdienst tussen de eilanden pure noodzaak. Middelburg was een bestuurlijk en kerkelijk centrum in het toenmalige Vlaanderen. De stad had ook een eigen haven die via de Arne, een getijdenkreek, in verbinding stond met het Sloe. Het veer bij het dorp Vlissingen diende daarom vooral personen- en postvervoer.
De eerste ambachtsheer van Vlissingen die we bij naam kennen was Wisse Gilliszoon van Koudekerke. De grond waarop het dorp Vlissingen werd gebouwd behoorde gedurende het grootste gedeelte van de dertiende eeuw tot de bezittingen van zijn familie. De mannelijke stamhouders waren al geruime tijd ambachtsheren van Koudekerke. Zij bezaten daarnaast veel grond op het eiland. In de middeleeuwen vielen bezit en bestuur niet altijd samen. Ieder dorp, toen ambachtsheerlijkheid geheten, werd bestuurd door een ambachtsheer. Soms had deze bezittingen in het dorp, soms ook niet. In het laatste geval behoorden de heren tot de lagere adel. De Van Koudekerkes behoorden tot de hogere adel van Zeeland omdat zij bestuurders waren, maar ook bezit hadden. Na 1300 was de rol van deze familie op Walcheren uitgespeeld. Zij hadden veel geld verloren en moesten hun bezittingen verkopen. Vlissingen werd gekocht door graaf Floris V en die kreeg het idee om een echte stad te gaan bouwen, iets ten zuiden van het dorp, maar met dezelfde naam: Vlissingen.
Speciale aandacht verdient de kerk van Oud-Vlissingen, de Sint-Petruskerk. Op de tekening van 1550 is duidelijk te zien hoe die was gebouwd: in de Romaanse stijl, die zich kenmerkte door boogvormige ramen en door twee achter elkaar gelegen rechthoekige gebouwen die met elkaar waren verbonden. Het kleinste, wat hogere gebouw, was het koor waarin het altaar stond. Het grootste, wat lagere deel, dat tegen de toren was aangebouwd, bevatte de zaal van de kerk. Er waren geen zijbeuken. De piramidevormige toren was vrij spits voor een romaanse kerk, maar kan van een latere periode zijn. Dit type kerk werd vooral in de twaalfde en dertiende eeuw gebouwd. De Gotische stijl, met de puntvormige ramen, kwam pas op het eind van de dertiende eeuw in zwang. De dorpskerk van Vlissingen was waarschijnlijk opgetrokken uit tufsteen, een zachte vulkanische steensoort die moest worden geïmporteerd uit berggebieden. Het dorp had ook een gemeentehuis, want er moest een plek zijn waar het dorpsbestuur en het gerechtshof, de vierschaar, haar zittingen konden houden.
Buiten het dorp Vlissingen, aan de monding van de kreek, stond op het eind van de dertiende eeuw nog een gebouw: het gasthuis. Dat weten we zeker omdat we over een document uit 1271 kunnen beschikken waarin staat dat het gasthuis op 18 oktober van dat jaar een schenking ontving van Aleid, weduwe van de graaf van Henegouwen en zuster van de graaf van Holland en tevens koning van het Duitse Rijk, Willem II. Het “hospitali in Vlissigghen" ontving vijf pond. Het is waarschijnlijk dat dit gasthuis niet in het dorp lag, maar erbuiten, langs de kreek waar die nog bevaarbaar was en het voetveer naar Vlaanderen haar aanlegplaats had.
Het gasthuis was dus al voor 1271 gebouwd en diende, naast het opvangen van zieken, ook voor het bieden van een slaapplaats aan reizigers. Mogelijk was er ook een veerhuis waar reizigers konden eten en drinken en wellicht slapen. Het veer bestond waarschijnlijk al gedurende de hele dertiende eeuw en mogelijk zelfs eerder. Het zuidelijkste deel van Walcheren lag nu eenmaal het dichtst bij Vlaanderen. Omdat er geregelde handelscontacten waren tussen Middelburg, de enige stad die ook buiten Walcheren aanzien had, en de Vlaamse steden, maar ook omdat Walcheren een groot deel van de twaalfde en dertiende eeuw bij Vlaanderen hoorde, was een geregelde veerdienst tussen de eilanden pure noodzaak. Middelburg was een bestuurlijk en kerkelijk centrum in het toenmalige Vlaanderen. De stad had ook een eigen haven die via de Arne, een getijdenkreek, in verbinding stond met het Sloe. Het veer bij het dorp Vlissingen diende daarom vooral personen- en postvervoer.
De eerste ambachtsheer van Vlissingen die we bij naam kennen was Wisse Gilliszoon van Koudekerke. De grond waarop het dorp Vlissingen werd gebouwd behoorde gedurende het grootste gedeelte van de dertiende eeuw tot de bezittingen van zijn familie. De mannelijke stamhouders waren al geruime tijd ambachtsheren van Koudekerke. Zij bezaten daarnaast veel grond op het eiland. In de middeleeuwen vielen bezit en bestuur niet altijd samen. Ieder dorp, toen ambachtsheerlijkheid geheten, werd bestuurd door een ambachtsheer. Soms had deze bezittingen in het dorp, soms ook niet. In het laatste geval behoorden de heren tot de lagere adel. De Van Koudekerkes behoorden tot de hogere adel van Zeeland omdat zij bestuurders waren, maar ook bezit hadden. Na 1300 was de rol van deze familie op Walcheren uitgespeeld. Zij hadden veel geld verloren en moesten hun bezittingen verkopen. Vlissingen werd gekocht door graaf Floris V en die kreeg het idee om een echte stad te gaan bouwen, iets ten zuiden van het dorp, maar met dezelfde naam: Vlissingen.
(100) Een verwoestende raket
Het Engelse bombardement van 15, 16 en 17 augustus 1809 op Vlissingen met als doel de Fransen weg te jagen, leidde tot de nagenoeg totale verwoesting van de stad en de havens.
Het bombardement was goed gecoördineerd. De meer dan vijftig kanonnen op het land rondom Vlissingen en op de schepen die voor de rede lagen, werden nagenoeg op hetzelfde moment afgevuurd, opnieuw geladen en weer afgevuurd. De hoeveelheid door de Engelsen ingeslagen munitie leek eindeloos en twee dagen lang zou er bij daglicht geen moment van stilte meer zijn. Gemiddeld was er iedere seconde een schot te horen, gevolgd door het geluid van de inslag, ergens in de stad of net daarbuiten. Behalve de kogels en de bommen werd er ook geschoten met een nieuw soort ammunitie: Congreve Rockets, genoemd naar de uitvinder, William Congreve. Het waren zware vuurpijlen met een lengte van bijna een meter en een gewicht van ongeveer vijftien kilo, bestaande uit een ijzeren buis met buskruit en een kegelvormige neus. In de laatste zat brandbare stof, wel of niet aangevuld met los schroot. De vuurpijl zat vast aan een lange stok en kon worden ontstoken door middel van een touw dat een vuursteenmechanisme in werking kon zetten. De stok was vastgemaakt op een zogenaamde stoel: een laddervormig frame, dat aan de voorkant op twee poten rustte. De stoel kon zowel op land worden gebruikt als op grotere of kleinere schepen, zelfs sloepen, waar ze moest worden vastgebonden aan de voormast.
Het voornaamste doel van de pijlen was het stichten van brand. Ze konden niet precies worden gericht, maar werden met tientallen tegelijk gebruikt om in korte tijd zoveel mogelijk schade, dood en verderf aan te richten. Het bombardement op Vlissingen was een van de eerste waarbij de Congreve Rockets grootschalig werden gebruikt: in totaal werden er achthonderd gelanceerd. De meeste troffen doel en hadden een verwoestende uitwerking. Nagenoeg alle huizen en gebouwen in de stad hadden schade, in de meeste gevallen onherstelbaar: 60 waren er volledig verwoest en 251 zodanig beschadigd dat ze niet meer bewoonbaar waren. De rest had, op nog geen twintig huizen na, ook zware schade maar was nog wel enigszins bewoonbaar. In de nabije omgeving van de stad waren nog eens 54 huizen met de grond gelijk gemaakt. Er waren 335 dodelijke slachtoffers, waarvan er slechts 49 konden worden geïdentificeerd. De rest was onherkenbaar verminkt. Het aantal gewonden was daarvan nog eens een veelvoud. Onder de Franse soldaten was het leed nog groter. De troepenmacht in Vlissingen had maar liefst 3.773 mannen verloren. Zij waren gesneuveld, zwaargewond of gedeserteerd. De Engelsen hadden een kleine duizend man verloren, vooral door Frans tegenvuur en mogelijk door een enkele te vroeg ontplofte Congreve raket. Maar daar zullen de Vlissingers niet echt mee in hun maag hebben gezeten.
Het bombardement was goed gecoördineerd. De meer dan vijftig kanonnen op het land rondom Vlissingen en op de schepen die voor de rede lagen, werden nagenoeg op hetzelfde moment afgevuurd, opnieuw geladen en weer afgevuurd. De hoeveelheid door de Engelsen ingeslagen munitie leek eindeloos en twee dagen lang zou er bij daglicht geen moment van stilte meer zijn. Gemiddeld was er iedere seconde een schot te horen, gevolgd door het geluid van de inslag, ergens in de stad of net daarbuiten. Behalve de kogels en de bommen werd er ook geschoten met een nieuw soort ammunitie: Congreve Rockets, genoemd naar de uitvinder, William Congreve. Het waren zware vuurpijlen met een lengte van bijna een meter en een gewicht van ongeveer vijftien kilo, bestaande uit een ijzeren buis met buskruit en een kegelvormige neus. In de laatste zat brandbare stof, wel of niet aangevuld met los schroot. De vuurpijl zat vast aan een lange stok en kon worden ontstoken door middel van een touw dat een vuursteenmechanisme in werking kon zetten. De stok was vastgemaakt op een zogenaamde stoel: een laddervormig frame, dat aan de voorkant op twee poten rustte. De stoel kon zowel op land worden gebruikt als op grotere of kleinere schepen, zelfs sloepen, waar ze moest worden vastgebonden aan de voormast.
Het voornaamste doel van de pijlen was het stichten van brand. Ze konden niet precies worden gericht, maar werden met tientallen tegelijk gebruikt om in korte tijd zoveel mogelijk schade, dood en verderf aan te richten. Het bombardement op Vlissingen was een van de eerste waarbij de Congreve Rockets grootschalig werden gebruikt: in totaal werden er achthonderd gelanceerd. De meeste troffen doel en hadden een verwoestende uitwerking. Nagenoeg alle huizen en gebouwen in de stad hadden schade, in de meeste gevallen onherstelbaar: 60 waren er volledig verwoest en 251 zodanig beschadigd dat ze niet meer bewoonbaar waren. De rest had, op nog geen twintig huizen na, ook zware schade maar was nog wel enigszins bewoonbaar. In de nabije omgeving van de stad waren nog eens 54 huizen met de grond gelijk gemaakt. Er waren 335 dodelijke slachtoffers, waarvan er slechts 49 konden worden geïdentificeerd. De rest was onherkenbaar verminkt. Het aantal gewonden was daarvan nog eens een veelvoud. Onder de Franse soldaten was het leed nog groter. De troepenmacht in Vlissingen had maar liefst 3.773 mannen verloren. Zij waren gesneuveld, zwaargewond of gedeserteerd. De Engelsen hadden een kleine duizend man verloren, vooral door Frans tegenvuur en mogelijk door een enkele te vroeg ontplofte Congreve raket. Maar daar zullen de Vlissingers niet echt mee in hun maag hebben gezeten.
(99) Randstadcentrisme (2)
Vorige week schreef ik over het Randstadcentrisme van een Rotterdamse professor die, tijdens een interview op de televisie, in een enkele zin twee kardinale fouten maakte over de geschiedenis van de haven van Vlissingen. Misschien moeten we dat hem niet te zwaar aanrekenen omdat in de geschiedschrijving van de laatste twee eeuwen veel Zeeuwse geschiedenis is verdwenen. We nemen Vlissingen als voorbeeld.
De gebeurtenissen tussen 1572 en 1574, toen Vlissingen eerst zichzelf en later Veere, Arnemuiden en Middelburg bevrijdde, zorgden er voor dat de naam van de stad bekender werd dan ooit tevoren. Vlissingen was niet langer alleen een vlek op de landkaart, maar had een ziel, een hart en een karakter gekregen. Er waren successen geweest die werden doorverteld, opgeschreven en verspreid. De naam van Vlissingen had uitstraling gekregen en daarmee een zekere aantrekkingskracht. De reeks beloningen van Willem van Oranje had dit verder versterkt en Vlissingen was een interessante vestigingsplaats geworden voor handelaren, reders, ambachtslieden en mensen die gewoon op zoek waren naar werk.
De moderne vaderlandse geschiedenis is Vlissingen echter vergeten. Op een of andere manier is toch de naam van Den Briel boven komen drijven als de stad die het symbool moest zijn voor het vroegste begin van de opstand tegen Spanje. En hiermee wordt geen recht gedaan aan de ware loop der gebeurtenissen. Dat de historici van de zestiende en zeventiende eeuw hier compleet anders tegenaan keken, blijkt uit het onderstaande. Willem van Oranje was de eerste die er geen twijfel over liet bestaan dat Vlissingen de eerste was. In zijn felicitatiebrief van 15 mei 1572 aan de stadsregering van Vlissingen noemde hij Den Briel niet eens. Voor de twee grote Nederlandse geschiedschrijvers, die al leefden toen de opstand begon en die de gebeurtenissen ook uit de eerste hand hebben kunnen optekenen, Pieter Bor en Emanuel van Meteren, was er geen misverstand. Na een enkele zin over Den Briel, besteedden zij meerdere pagina’s aan de Vlissingse opstand. Ook de rol van de stad in de veroveringen van Veere, Rammekens, Arnemuiden en Middelburg kwam bij alle geschiedschrijvers uitgebreid aan de orde.
En dan, vanaf 1800, was het ineens afgelopen met Vlissingen. Voortaan stond het Hollandse Den Briel symbool voor het begin van de opstand en werd de Zeeuwse stad vergeten en verbannen naar een bijzin of een voetnoot. Zie bijvoorbeeld het recente standaardwerk over de Tachtigjarige oorlog, waarin een halve regel wordt gewijd aan Vlissingen in 1572. Het kan nog erger: de recente Geschiedenis van Zeeland besteedt slechts zes regels (!) aan het onderwerp. Deze vierdelige uitgave, geschreven door Zeeuwse historici, telt bijna 1.500 pagina’s en is dus blijkbaar voor wat betreft de eerste jaren van de opstand uitgegaan van de moderne geschiedenisboekjes. Terwijl juist over de opstand veel informatie is te halen uit het werk van geschiedschrijvers uit die tijd zelf. Het is geenszins de bedoeling om te vervallen in een klaagzang dat Vlissingen in de laatste eeuwen niet de eer heeft gekregen die het toekwam. De Vlissingers moeten de hand vooral ook in eigen boezem steken. Ze waren trots, maar schreeuwden het niet van de daken. Ze vochten liever dan er over te praten en te vervallen in ijdeltuiterij. En misschien is dat nog steeds wel zo.
De gebeurtenissen tussen 1572 en 1574, toen Vlissingen eerst zichzelf en later Veere, Arnemuiden en Middelburg bevrijdde, zorgden er voor dat de naam van de stad bekender werd dan ooit tevoren. Vlissingen was niet langer alleen een vlek op de landkaart, maar had een ziel, een hart en een karakter gekregen. Er waren successen geweest die werden doorverteld, opgeschreven en verspreid. De naam van Vlissingen had uitstraling gekregen en daarmee een zekere aantrekkingskracht. De reeks beloningen van Willem van Oranje had dit verder versterkt en Vlissingen was een interessante vestigingsplaats geworden voor handelaren, reders, ambachtslieden en mensen die gewoon op zoek waren naar werk.
De moderne vaderlandse geschiedenis is Vlissingen echter vergeten. Op een of andere manier is toch de naam van Den Briel boven komen drijven als de stad die het symbool moest zijn voor het vroegste begin van de opstand tegen Spanje. En hiermee wordt geen recht gedaan aan de ware loop der gebeurtenissen. Dat de historici van de zestiende en zeventiende eeuw hier compleet anders tegenaan keken, blijkt uit het onderstaande. Willem van Oranje was de eerste die er geen twijfel over liet bestaan dat Vlissingen de eerste was. In zijn felicitatiebrief van 15 mei 1572 aan de stadsregering van Vlissingen noemde hij Den Briel niet eens. Voor de twee grote Nederlandse geschiedschrijvers, die al leefden toen de opstand begon en die de gebeurtenissen ook uit de eerste hand hebben kunnen optekenen, Pieter Bor en Emanuel van Meteren, was er geen misverstand. Na een enkele zin over Den Briel, besteedden zij meerdere pagina’s aan de Vlissingse opstand. Ook de rol van de stad in de veroveringen van Veere, Rammekens, Arnemuiden en Middelburg kwam bij alle geschiedschrijvers uitgebreid aan de orde.
En dan, vanaf 1800, was het ineens afgelopen met Vlissingen. Voortaan stond het Hollandse Den Briel symbool voor het begin van de opstand en werd de Zeeuwse stad vergeten en verbannen naar een bijzin of een voetnoot. Zie bijvoorbeeld het recente standaardwerk over de Tachtigjarige oorlog, waarin een halve regel wordt gewijd aan Vlissingen in 1572. Het kan nog erger: de recente Geschiedenis van Zeeland besteedt slechts zes regels (!) aan het onderwerp. Deze vierdelige uitgave, geschreven door Zeeuwse historici, telt bijna 1.500 pagina’s en is dus blijkbaar voor wat betreft de eerste jaren van de opstand uitgegaan van de moderne geschiedenisboekjes. Terwijl juist over de opstand veel informatie is te halen uit het werk van geschiedschrijvers uit die tijd zelf. Het is geenszins de bedoeling om te vervallen in een klaagzang dat Vlissingen in de laatste eeuwen niet de eer heeft gekregen die het toekwam. De Vlissingers moeten de hand vooral ook in eigen boezem steken. Ze waren trots, maar schreeuwden het niet van de daken. Ze vochten liever dan er over te praten en te vervallen in ijdeltuiterij. En misschien is dat nog steeds wel zo.
(98) Randstadcentrisme (1)
Een tijdje terug was er in Nieuwsuur een Rotterdamse professor aan het woord die onderzoek had gedaan naar de financiering van Nederlandse havens in de negentiende eeuw. Hij suggereerde dat dit vaak met in Indië verdiend geld gebeurde en dat de projecten doorgaans op een mislukking uitliepen. Een interessant onderzoek, alleen dacht de hooggeleerde spreker dat de grote lijn die hij had ontdekt, op alle havensteden toepasbaar was. Tot overmaat van ramp noemde hij als voorbeeld de haven van Vlissingen die in de 1873 flink was uitgebreid. Hij noemde Vlissingen een “… klein stadje …”, te onaanzienlijk voor zo’n groot infrastructureel werk dat dan ook jammerlijk de mist in ging. De professor ging met deze opmerking echter zelf ook volledig de mist in. In de eerste plaats was Vlissingen in 1873 weliswaar een kleine stad, maar wel met een haven die nog steeds, na Rotterdam en Amsterdam, de derde van Nederland was. Omdat deze twee steden te ver van de zee lagen, werd Vlissingen door velen gezien als de toekomstige grootste haven van Nederland en wellicht zelfs Europa. In een Engels tijdschrift verscheen hierover in 1873 een artikel, dat besloot met de opmerking dat de Vlissingse havens: “…de oude Nederlandsche welvaart zullen doen herleven en daarom voor Nederland van onberekenbare waarde zijn …”. De Buitenhaven, maar ook de twee nieuwe Binnenhavens, werden na 1873 wel degelijk een succes. Het verhaal van onze Rotterdamse professor is daarmee een typisch voorbeeld van Randstadcentrisme, met Amsterdam en Rotterdam als het centrum van de wereld.
Voor Vlissingen was de aanleg van de havens een belangrijke schakel in een reeks van infrastructurele projecten die de stad weer omhoog moesten stoten in de vaart der volkeren. Na de bouw van de Kreekkrakdam in 1867, de Sloedam in 1871 en de spoorlijn in hetzelfde jaar, had Vlissingen opeens een snelle en ononderbroken verbinding met de rest van het land en het Europese vasteland. Een deel van de toenmalige regering vond dat Vlissingen een nieuwe haven moest krijgen van waaruit het postverkeer met Engeland zou kunnen gaan plaatsvinden. Andere bewindslieden, waaronder de liberale minister van financiën Albertus van Delden, waren tegen en zagen liever dat Rotterdam dit zou gaan doen. Uiteindelijk heeft Vlissingen deze strijd gewonnen omdat niemand minder dan de broer van Koning Willem III, prins Hendrik, zich sterk maakte voor de oprichting van een stoomvaartmaatschappij die haar kantoor en thuishaven in Vlissingen moest krijgen. De havencapaciteit werd mede daarom flink vergroot met het aanleggen van de twee Binnenhavens en een Buitenhaven.
Vlissingen groeide in de jaren daarna uit tot de belangrijkste Europese haven voor het postverkeer van en naar Engeland. In de loop van de twintigste eeuw nam dit belang geleidelijk aan weer af. Extreem oorlogsgeweld, de opkomst van concurrerende havens en de groei van de luchtvaart als belangrijkste vervoermiddel voor brieven en kleine pakketten, leidden ertoe dat het aandeel van Vlissingen in de vaart naar Engeland een stuk kleiner werd. Wanneer we 1944 als ijkpunt nemen heeft de Rotterdamse professor gelijk: van enig scheepvaartverkeer in de haven was toen geen sprake meer. Maar dat bedoelde hij waarschijnlijk niet.
Voor Vlissingen was de aanleg van de havens een belangrijke schakel in een reeks van infrastructurele projecten die de stad weer omhoog moesten stoten in de vaart der volkeren. Na de bouw van de Kreekkrakdam in 1867, de Sloedam in 1871 en de spoorlijn in hetzelfde jaar, had Vlissingen opeens een snelle en ononderbroken verbinding met de rest van het land en het Europese vasteland. Een deel van de toenmalige regering vond dat Vlissingen een nieuwe haven moest krijgen van waaruit het postverkeer met Engeland zou kunnen gaan plaatsvinden. Andere bewindslieden, waaronder de liberale minister van financiën Albertus van Delden, waren tegen en zagen liever dat Rotterdam dit zou gaan doen. Uiteindelijk heeft Vlissingen deze strijd gewonnen omdat niemand minder dan de broer van Koning Willem III, prins Hendrik, zich sterk maakte voor de oprichting van een stoomvaartmaatschappij die haar kantoor en thuishaven in Vlissingen moest krijgen. De havencapaciteit werd mede daarom flink vergroot met het aanleggen van de twee Binnenhavens en een Buitenhaven.
Vlissingen groeide in de jaren daarna uit tot de belangrijkste Europese haven voor het postverkeer van en naar Engeland. In de loop van de twintigste eeuw nam dit belang geleidelijk aan weer af. Extreem oorlogsgeweld, de opkomst van concurrerende havens en de groei van de luchtvaart als belangrijkste vervoermiddel voor brieven en kleine pakketten, leidden ertoe dat het aandeel van Vlissingen in de vaart naar Engeland een stuk kleiner werd. Wanneer we 1944 als ijkpunt nemen heeft de Rotterdamse professor gelijk: van enig scheepvaartverkeer in de haven was toen geen sprake meer. Maar dat bedoelde hij waarschijnlijk niet.
(97) Straatverlichting in Vlissingen in de 17de eeuw
In 1675 was er voor het eerst in Vlissingen sprake van plannen om de stad in de avonduren te verlichten met behulp van openbare lantarens. In dat jaar werd ook een commissie benoemd die de plannen moest gaan uitvoeren, maar waarschijnlijk is het er toen niet of nauwelijks van gekomen, want in 1685 werd er opnieuw een commissie benoemd, nu voor het plaatsen van lantarens langs de kaden van de havens. Ook dit keer kwam daar waarschijnlijk niet veel van terecht omdat er pas in 1697 een officiële beslissing werd genomen door het stadsbestuur om de lantarens te gaan plaatsen. Men wees op het toenemend aantal relletjes, diefstallen en andere ongemakken die zich in de openbare ruimte afspeelden. Het plan was om maar liefst driehonderd nieuwe lantarens te plaatsen die in ieder geval in de donkere maanden van oktober tot april zouden branden. Ze moesten op de kaden 34, in de grote straten 45 en in de kleinere straten 50 meter uit elkaar staan.
De lantaarns die in Vlissingen werden gebruikt waren zonder twijfel die van de Amsterdamse kunstschilder en uitvinder Jan van der Heyden. Omdat er in de tweede helft van de zeventiende eeuw niet zo heel veel meer viel te verdienen met schilderen, was Van der Heyden ook actief als technisch ontwerper. Een van zijn beroemdste ontwerpen was dat voor een efficiënte en goedkope straatverlichting. Amsterdam was in 1669 zijn eerste klant. Daar zijn 1.800 lantarens geplaatst. Andere steden volgden, waaronder Berlijn, Haarlem, Groningen en waarschijnlijk dus ook Vlissingen. De Jan van der Heyden-lantaarn was ongeveer zestig centimeter hoog en telde vier ruiten. Een ruit was uitneembaar om de lamp te kunnen aansteken. Bovenop zat een kokertje dat diende als schoorsteen. Een vierkante eikenhouten paal van twee tot drie meter hoogte en tien tot vijftien centimeter dik, fungeerde als voet. De brandstof was raap- of lijnolie.
De stad zou in september zorgen voor een voorraad olie waarvan iedere ochtend om acht uur een rantsoen kon worden uitgereikt aan de lantaarnvullers. Deze functionarissen, twaalf in getal, verdienden vijftig gulden per jaar en waren ook verantwoordelijk voor het aansteken, het onderhoud en de veiligheid. Al met al was het een dure nieuwe verantwoordelijkheid die de stad zich zelf had opgelegd en die niet uit de normale inkomstenstroom kon worden betaald. Om het toch te kunnen bekostigen werd de belasting op onroerend goed met 12,5 procent verhoogd en werden de schepen die aanlegden in de havens om te laden en te lossen met twee stuivers per last extra aangeslagen. De ontvanger van deze speciale belastingen verdiende tweehonderd gulden per jaar.
De lantaarns die in Vlissingen werden gebruikt waren zonder twijfel die van de Amsterdamse kunstschilder en uitvinder Jan van der Heyden. Omdat er in de tweede helft van de zeventiende eeuw niet zo heel veel meer viel te verdienen met schilderen, was Van der Heyden ook actief als technisch ontwerper. Een van zijn beroemdste ontwerpen was dat voor een efficiënte en goedkope straatverlichting. Amsterdam was in 1669 zijn eerste klant. Daar zijn 1.800 lantarens geplaatst. Andere steden volgden, waaronder Berlijn, Haarlem, Groningen en waarschijnlijk dus ook Vlissingen. De Jan van der Heyden-lantaarn was ongeveer zestig centimeter hoog en telde vier ruiten. Een ruit was uitneembaar om de lamp te kunnen aansteken. Bovenop zat een kokertje dat diende als schoorsteen. Een vierkante eikenhouten paal van twee tot drie meter hoogte en tien tot vijftien centimeter dik, fungeerde als voet. De brandstof was raap- of lijnolie.
De stad zou in september zorgen voor een voorraad olie waarvan iedere ochtend om acht uur een rantsoen kon worden uitgereikt aan de lantaarnvullers. Deze functionarissen, twaalf in getal, verdienden vijftig gulden per jaar en waren ook verantwoordelijk voor het aansteken, het onderhoud en de veiligheid. Al met al was het een dure nieuwe verantwoordelijkheid die de stad zich zelf had opgelegd en die niet uit de normale inkomstenstroom kon worden betaald. Om het toch te kunnen bekostigen werd de belasting op onroerend goed met 12,5 procent verhoogd en werden de schepen die aanlegden in de havens om te laden en te lossen met twee stuivers per last extra aangeslagen. De ontvanger van deze speciale belastingen verdiende tweehonderd gulden per jaar.
(96) Een achttiende-eeuwse win-win-situatie
Dit jaar wordt in Nederland en de huidige en voormalige overzeese gebiedsdelen herdacht dat tweehonderd jaar geleden de slavernij werd afgeschaft. De rol van Vlissingen in deze praktijken, maar vooral in de slavenhandel was zeer groot. Er is een berekening uit 1769 waaruit blijkt dat de Vlissingse handelaren evenveel slaven vervoerden als de rest van Nederland: in 1767 en 1768 waren er bijvoorbeeld 36 schepen van de West-Indische Compagnie naar de kusten Afrika gevaren om daar slaven op te halen en die te vervoeren naar West-Indië, zoals Zuid-Amerika toen heette. Amsterdam en Rotterdam hadden beide vier schepen, Middelburg tien en Vlissingen achttien. Het totaal aantal slaven was 6.300, waarvan de helft dus door Vlissingers werd vervoerd. Het is dan ook niet toevallig dat het juist een Vlissingse arts was die deze sector hartstochtelijk verdedigde: David Henry Gallandat. Voordat hij zich als arts vestigde, was Gallandat een aantal jaren scheepsarts geweest op de slavenschepen. Hij wist dus waarover hij het had en schreef er in 1669 een baanbrekend wetenschappelijk artikel over.
Gallandat begon zijn verhaal met vast te stellen dat de slavenhandel wellicht als een ongeoorloofde activiteit kon worden gezien, maar dat het financiële voordeel dat de handelaren ervan ondervonden, hen vrijpleitte. Volgens hem bestonden er onder de Afrikaanse volkeren prima wetten die de slavernij al hadden geregeld voordat er sowieso Hollanders en Zeeuwen aan te pas waren gekomen. Zo werden in Guinea de misdadigers die een boete kregen opgelegd en die niet konden betalen, tot slaaf verklaard. Dat gold ook voor anderen, die niets op hun kerfstok hadden, maar wel schulden hadden gemaakt. Deze ongelukkigen werden door de Afrikanen voor eigen gebruik aangewend. De slaven die aan de Europese handelaren werden aangeboden, waren meestal krijgsgevangenen. Gallandat betoogde dat men vroeger tijdens zo'n oorlog de vijand massaal in de pan hakte, maar dat men die nu in leven hield teneinde ze te kunnen verkopen als slaaf. Hij zag dat als een teken van voortschrijdende beschaving en ging verder met de vaststelling dat de slaven in de koloniën een veel beter leven hadden dan in hun geboorteland. Voor de Afrikaanse landen was daarnaast de handel voordelig omdat ze bevrijd werden van hun misdadigers en wanbetalers en zo een betere samenleving konden worden. Voor de koloniën was het voordelig omdat de slaven veel bekwamer waren in de landbouw dan de blanken en de Amerikanen. De slavenhandel was daarmee volgens de auteur een sector met alleen maar winnaars.
Na deze, op de ethische aspecten van de slavenhandel gerichte overwegingen, volgden de instructies van Gallandat voor de handelaren. Die moesten er goed op letten dat zij op de markten jonge, sterke, onverminkte en gezonde slaven moesten inkopen. Hij pleitte er daarom voor om de keuringen door ervaren scheepsartsen te laten uitvoeren. Het was de gewoonte van de plaatselijke handelaren om de oudere of zieke slaven vet te mesten, te wassen, te oliën en te scheren, maar ook de grijze haren en baarden zwart te verven. De dienstdoende scheepsarts werd aangeraden om te speuren naar kale plekken op het hoofd, verfresten, huidrimpels en rotte kiezen. Bij vrouwen moesten ze goed letten op de stevigheid van de borsten.
Met de kennis en de ethiek van nu kijken we vreemd aan tegen de overwegingen van de Vlissingse scheepsarts. Toch is het goed om er kennis van te nemen. In de achttiende eeuw waren er weinig mensen die er een andere visie op na hielden, zeker niet in Vlissingen.
Gallandat begon zijn verhaal met vast te stellen dat de slavenhandel wellicht als een ongeoorloofde activiteit kon worden gezien, maar dat het financiële voordeel dat de handelaren ervan ondervonden, hen vrijpleitte. Volgens hem bestonden er onder de Afrikaanse volkeren prima wetten die de slavernij al hadden geregeld voordat er sowieso Hollanders en Zeeuwen aan te pas waren gekomen. Zo werden in Guinea de misdadigers die een boete kregen opgelegd en die niet konden betalen, tot slaaf verklaard. Dat gold ook voor anderen, die niets op hun kerfstok hadden, maar wel schulden hadden gemaakt. Deze ongelukkigen werden door de Afrikanen voor eigen gebruik aangewend. De slaven die aan de Europese handelaren werden aangeboden, waren meestal krijgsgevangenen. Gallandat betoogde dat men vroeger tijdens zo'n oorlog de vijand massaal in de pan hakte, maar dat men die nu in leven hield teneinde ze te kunnen verkopen als slaaf. Hij zag dat als een teken van voortschrijdende beschaving en ging verder met de vaststelling dat de slaven in de koloniën een veel beter leven hadden dan in hun geboorteland. Voor de Afrikaanse landen was daarnaast de handel voordelig omdat ze bevrijd werden van hun misdadigers en wanbetalers en zo een betere samenleving konden worden. Voor de koloniën was het voordelig omdat de slaven veel bekwamer waren in de landbouw dan de blanken en de Amerikanen. De slavenhandel was daarmee volgens de auteur een sector met alleen maar winnaars.
Na deze, op de ethische aspecten van de slavenhandel gerichte overwegingen, volgden de instructies van Gallandat voor de handelaren. Die moesten er goed op letten dat zij op de markten jonge, sterke, onverminkte en gezonde slaven moesten inkopen. Hij pleitte er daarom voor om de keuringen door ervaren scheepsartsen te laten uitvoeren. Het was de gewoonte van de plaatselijke handelaren om de oudere of zieke slaven vet te mesten, te wassen, te oliën en te scheren, maar ook de grijze haren en baarden zwart te verven. De dienstdoende scheepsarts werd aangeraden om te speuren naar kale plekken op het hoofd, verfresten, huidrimpels en rotte kiezen. Bij vrouwen moesten ze goed letten op de stevigheid van de borsten.
Met de kennis en de ethiek van nu kijken we vreemd aan tegen de overwegingen van de Vlissingse scheepsarts. Toch is het goed om er kennis van te nemen. In de achttiende eeuw waren er weinig mensen die er een andere visie op na hielden, zeker niet in Vlissingen.
(95) Een Frans parkje in Vlissingen
In 1807, drie jaar eerder dan de rest van Nederland, werd Vlissingen ingelijfd bij het Franse keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Dat de stad er weer vroeg bij was, was te danken aan haar strategische ligging ten opzichte van de erfvijand van Frankrijk: Engeland. Misschien kwam het ook wel door het gemak waarmee de Fransen in 1795 Nederland hadden kunnen binnenvallen: ze hadden geholpen om de door velen, waaronder de Vlissingse schrijfster Betje Wolff, gehate stadhouder Willem de Vijfde van Oranje naar Engeland te verdrijven en ze werden binnengehaald als bevrijders. Ook in Vlissingen, waar in het begin de samenwerking nog wel goed verliep, maar waar al snel bleek dat de Franse idealen Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap voor de Vlissingers minder golden dan voor de bevrijders zelf. De greep van de Fransen op Vlissingen werd steeds knellender en daarmee het dubbele gevoel van de burgers: was de stad nu bevrijd van het falende stadhouderlijke regiem, of was het van de regen in de drup geraakt? Het volgende voorval illustreert dit.
De Vlissingse stadsregering kampte met een voortdurend tekort aan geld. Dat kwam door de kosten die voor de Franse inkwartieringen moesten worden opgebracht, maar ook door de nagenoeg stilgevallen plaatselijke economie, die voornamelijk afhankelijk was van de haven. Er waren weinig belastinginkomsten en ook de Fransen wisten steeds onder iedere fiscale vordering uit te komen. De Nederlandse wet gold voor hen soms wel en soms niet. De stad was daarom voortdurend op zoek naar andere bronnen van inkomsten en had haar oog laten vallen op de bomen van het parkje aan het eind van de Dokhaven. Dat was in 1783 aangelegd als openbare wandelplaats. Er waren kopers gevonden voor het kaphout en toen deze aan het werk wilden om de bomen te rooien, werden zij tegengehouden door de Fransen die waren gelegerd in het aangrenzende voormalige pand van de West-Indische Compagnie. Ze claimden ook het bezit van het parkje, omdat het er volgens hen bij hoorde. De paar bomen die al waren gerooid, werden in beslag genomen en naar het Franse magazijn gebracht.
Na maanden getouwtrek en geruzie door zelfs de hoogste instanties in Den Haag en Parijs, wonnen de Fransen en waren ze de officiële eigenaar van de grond waarop ze een scheepswerf wilden bouwen. Vlissingen werd financieel gecompenseerd door de Nederlandse regering. Dit incident was het begin van een lange reeks van kleinere en grotere conflicten over eigendomsrechten, de overlast die de stad ondervond van de Franse aanwezigheid en de vraag of zij wel of niet de plaatselijke belasting moesten betalen. De annexatie in 1807 betekende het einde van deze conflicten: toen werd Vlissingen Frans grondgebied en kon er helemaal niets meer worden gedaan tegen het leegzuigen van de stad.
De Vlissingse stadsregering kampte met een voortdurend tekort aan geld. Dat kwam door de kosten die voor de Franse inkwartieringen moesten worden opgebracht, maar ook door de nagenoeg stilgevallen plaatselijke economie, die voornamelijk afhankelijk was van de haven. Er waren weinig belastinginkomsten en ook de Fransen wisten steeds onder iedere fiscale vordering uit te komen. De Nederlandse wet gold voor hen soms wel en soms niet. De stad was daarom voortdurend op zoek naar andere bronnen van inkomsten en had haar oog laten vallen op de bomen van het parkje aan het eind van de Dokhaven. Dat was in 1783 aangelegd als openbare wandelplaats. Er waren kopers gevonden voor het kaphout en toen deze aan het werk wilden om de bomen te rooien, werden zij tegengehouden door de Fransen die waren gelegerd in het aangrenzende voormalige pand van de West-Indische Compagnie. Ze claimden ook het bezit van het parkje, omdat het er volgens hen bij hoorde. De paar bomen die al waren gerooid, werden in beslag genomen en naar het Franse magazijn gebracht.
Na maanden getouwtrek en geruzie door zelfs de hoogste instanties in Den Haag en Parijs, wonnen de Fransen en waren ze de officiële eigenaar van de grond waarop ze een scheepswerf wilden bouwen. Vlissingen werd financieel gecompenseerd door de Nederlandse regering. Dit incident was het begin van een lange reeks van kleinere en grotere conflicten over eigendomsrechten, de overlast die de stad ondervond van de Franse aanwezigheid en de vraag of zij wel of niet de plaatselijke belasting moesten betalen. De annexatie in 1807 betekende het einde van deze conflicten: toen werd Vlissingen Frans grondgebied en kon er helemaal niets meer worden gedaan tegen het leegzuigen van de stad.
(94) Twee rooms-katholieke gezinnen
We hebben het er al vaker over gehad en het zal nog vaak gebeuren: 6 april 1572, de dag dat Vlissingen zich als eerste Nederlandse stad bevrijdde van de Spanjaarden. In de geschiedenis van de stad zoals die momenteel wordt opgeschreven is deze dag een scharnierpunt. De stad veranderde ingrijpend op veel gebieden: politiek, economisch, sociaal, cultureel, geografisch en godsdienstig. Er was een Vlissingen vóór en er was een Vlissingen na 6 april 1572. Een van de meest in het oog springende veranderingen vond plaats op het gebied van de wetgeving, waar politiek en godsdienst in zowel de Spaanse tijd als in de periode erna, innig met elkaar waren verweven. De kerk schreef in de meeste gevallen voor hoe de burger zich ook thuis, op het werk en op straat moest gedragen en de gewone overheidswetgeving nam dat klakkeloos over. Zo had de Spaanse landvoogd Alva in 1569 aan de Vlissingers voorgeschreven dat aan iedereen, dus ook de protestanten, op hun sterfbed de laatste sacramenten moesten worden toegediend. Gebeurde dat niet, dan mocht het lichaam niet worden begraven maar moest het worden gedumpt op het galgenveld. De bezittingen van de overledene werden bovendien in beslag genomen.
Nadat de Spanjaarden waren verdreven en het protestantse geloof de overhand kreeg draaiden de rollen om en werd de kerk machtiger dan ooit. Dat gold zeker voor Vlissingen, waar vooral in de jaren tachtig een zeer strenge variant van het calvinisme de overhand kreeg. De eerste grote nationale kerkvergadering, die in mei en juni 1581 in Middelburg plaatsvond werd in februari van dat jaar in Vlissingen voorbereid. Het meest omstreden discussiepunt tijdens deze vergadering was de vraag of de kerkelijke wetgeving de overheidswetgeving mocht bepalen of niet. In het kader daarvan werd omstandig gediscussieerd over de straffen die dienden te worden opgelegd aan degenen die de rooms-katholieke godsdienst uitoefenden, de zon- en biddagen ontheiligden, in het openbaar dronken waren, dobbelden, vochten, uit de kerk wegbleven, overspel pleegden, hoereerden, geschriften publiceerden die niet door de kerk waren goedgekeurd, dansten en de kunst van het toneelspelen beoefenden. Voor het handjevol overgebleven rooms-katholieken werd het leven in de periode na de synode er niet makkelijker op. Wie wilde trouwen, moest dat doen in een protestantse kerk. Dat zelfde gold voor het dopen van kinderen. Gebeurde dit niet dan volgden gerechtelijke stappen met meestal een boete als sanctie. Deze praktijken vonden, in iets minder strenge mate, in heel Zeeland plaats. In Holland en Utrecht was de invloed van het kerkelijk recht op de wetgeving wat minder groot. Hoewel ook daar werd gelet op paapse stoutigheden konden de rooms-katholieken er in relatieve rust hun geloof uitoefenen.
De onderdrukking van de katholieken leidde ertoe dat Vlissingen in korte tijd transformeerde van een stad waar aanvankelijk de rooms-katholieken nog ruim in de meerderheid waren, in een stad die rond 1600 volledig protestant was. In 1616 woonden er nog maar twee rooms-katholieke gezinnen en we kunnen gerust aannemen dat hun vroegere geloofsgenoten niet vrijwillig de stad hadden verlaten.
Nadat de Spanjaarden waren verdreven en het protestantse geloof de overhand kreeg draaiden de rollen om en werd de kerk machtiger dan ooit. Dat gold zeker voor Vlissingen, waar vooral in de jaren tachtig een zeer strenge variant van het calvinisme de overhand kreeg. De eerste grote nationale kerkvergadering, die in mei en juni 1581 in Middelburg plaatsvond werd in februari van dat jaar in Vlissingen voorbereid. Het meest omstreden discussiepunt tijdens deze vergadering was de vraag of de kerkelijke wetgeving de overheidswetgeving mocht bepalen of niet. In het kader daarvan werd omstandig gediscussieerd over de straffen die dienden te worden opgelegd aan degenen die de rooms-katholieke godsdienst uitoefenden, de zon- en biddagen ontheiligden, in het openbaar dronken waren, dobbelden, vochten, uit de kerk wegbleven, overspel pleegden, hoereerden, geschriften publiceerden die niet door de kerk waren goedgekeurd, dansten en de kunst van het toneelspelen beoefenden. Voor het handjevol overgebleven rooms-katholieken werd het leven in de periode na de synode er niet makkelijker op. Wie wilde trouwen, moest dat doen in een protestantse kerk. Dat zelfde gold voor het dopen van kinderen. Gebeurde dit niet dan volgden gerechtelijke stappen met meestal een boete als sanctie. Deze praktijken vonden, in iets minder strenge mate, in heel Zeeland plaats. In Holland en Utrecht was de invloed van het kerkelijk recht op de wetgeving wat minder groot. Hoewel ook daar werd gelet op paapse stoutigheden konden de rooms-katholieken er in relatieve rust hun geloof uitoefenen.
De onderdrukking van de katholieken leidde ertoe dat Vlissingen in korte tijd transformeerde van een stad waar aanvankelijk de rooms-katholieken nog ruim in de meerderheid waren, in een stad die rond 1600 volledig protestant was. In 1616 woonden er nog maar twee rooms-katholieke gezinnen en we kunnen gerust aannemen dat hun vroegere geloofsgenoten niet vrijwillig de stad hadden verlaten.
(93) Een losbandige predikant
Omstreeks 1600 bestond de Vlissingse bevolking in meerderheid uit Kleyne luyden: de groeiende middenklasse en alles daaronder. Zij hingen zonder veel uitzonderingen het strenge calvinisme aan en werden geleid door predikanten die in deze periode hun geloof als activistische zendelingen probeerden te verspreiden. De publieke opinie in Vlissingen werd grotendeels door hen bepaald. Zij bereikten vanaf de kansels alle lagen van de bevolking en via hun vlugschriften ook de hogere klassen. Het merendeel van deze predikanten kwam, net als de immigranten, uit de voorheen streng calvinistische gebieden ten zuiden van Zeeland: Vlaanderen en Brabant.
Een van de twee predikanten uit Holland en tevens de eerste in Vlissingen na de opstand, Johannes Gerobulus, was minder streng, in ieder geval voor zichzelf. Misschien dat het kwam omdat in Vlissingen in 1573 de rooms-katholieken nog steeds de meerderheid van de bevolking uitmaakten, misschien omdat de zuivere leer van Calvijn nog niet was doorgedrongen, feit is dat Gerobulus er een tamelijk losbandig leven op nahield, in ieder geval tijdens zijn Vlissingse jaren. Hij was al predikant geweest in de jaren zestig in respectievelijk het Duitse Embden en later Delft. In 1573 werd hij gevraagd om in Vlissingen te komen werken. Op 13 april 1580 ging het echter mis. Tijdens het bezoek van Willem van Oranje op die dag werd er, na het vertrek van de prins, een feestmaal aangericht voor kerkelijke en politieke functionarissen. Gerobulus had echter zoveel gedronken dat hij begon te schelden en daarbij obscure gebaren maakte. Tenslotte was hij op de eettafel gaan liggen en in slaap gevallen. De kerkenraad nam het voorval hoog op en gebood hem om tijdens de preek en dus ten overstaan van de gelovigen, boete te doen.
De zondaar stemde daarmee in, op voorwaarde dat hij na de preek ontslag zou mogen nemen. De kerkenraad ging daarmee echter niet akkoord. Het gevolg was dat Gerobulus wel zijn spijt uitsprak over zijn wangedrag, maar daarbij niet vermeldde dat hij dat in beschonken toestand had gedaan. Hij weigerde daarna om het nog een keer te doen, waarop de kerkbestuurders het hogerop zochten. Uiteindelijk werd de schuldbekentenis alsnog gedaan door een collega, de uit Beveren afkomstige predikant Cornelis de Hond. Deze las het verhaal publiekelijk voor en Gerobulus hoefde alleen maar te antwoorden met “ja”, hetgeen ook zo gebeurde. Na Gerobulus trad, vooral door de komst van de zuidelijke predikanten, de versobering in. Er zijn in ieder geval geen incidenten met predikanten bekend uit deze periode. Wel met burgers, maar dit was meer het gevolg van de verschuivende normen en waarden dan van de gedragingen van de Vlissingers zelf.
Een van de twee predikanten uit Holland en tevens de eerste in Vlissingen na de opstand, Johannes Gerobulus, was minder streng, in ieder geval voor zichzelf. Misschien dat het kwam omdat in Vlissingen in 1573 de rooms-katholieken nog steeds de meerderheid van de bevolking uitmaakten, misschien omdat de zuivere leer van Calvijn nog niet was doorgedrongen, feit is dat Gerobulus er een tamelijk losbandig leven op nahield, in ieder geval tijdens zijn Vlissingse jaren. Hij was al predikant geweest in de jaren zestig in respectievelijk het Duitse Embden en later Delft. In 1573 werd hij gevraagd om in Vlissingen te komen werken. Op 13 april 1580 ging het echter mis. Tijdens het bezoek van Willem van Oranje op die dag werd er, na het vertrek van de prins, een feestmaal aangericht voor kerkelijke en politieke functionarissen. Gerobulus had echter zoveel gedronken dat hij begon te schelden en daarbij obscure gebaren maakte. Tenslotte was hij op de eettafel gaan liggen en in slaap gevallen. De kerkenraad nam het voorval hoog op en gebood hem om tijdens de preek en dus ten overstaan van de gelovigen, boete te doen.
De zondaar stemde daarmee in, op voorwaarde dat hij na de preek ontslag zou mogen nemen. De kerkenraad ging daarmee echter niet akkoord. Het gevolg was dat Gerobulus wel zijn spijt uitsprak over zijn wangedrag, maar daarbij niet vermeldde dat hij dat in beschonken toestand had gedaan. Hij weigerde daarna om het nog een keer te doen, waarop de kerkbestuurders het hogerop zochten. Uiteindelijk werd de schuldbekentenis alsnog gedaan door een collega, de uit Beveren afkomstige predikant Cornelis de Hond. Deze las het verhaal publiekelijk voor en Gerobulus hoefde alleen maar te antwoorden met “ja”, hetgeen ook zo gebeurde. Na Gerobulus trad, vooral door de komst van de zuidelijke predikanten, de versobering in. Er zijn in ieder geval geen incidenten met predikanten bekend uit deze periode. Wel met burgers, maar dit was meer het gevolg van de verschuivende normen en waarden dan van de gedragingen van de Vlissingers zelf.
(92) Groots en meeslepend
In het rijtje beroemde Vlissingers past zeker Jan Louis Pisuisse, de belangrijkste Nederlandse cabaretier uit het begin van de twintigste eeuw en tevens grondlegger van dit, voor die tijd, nieuwe beroep. Het leven van Pissuisse was groots en meeslepend en is het waard om te worden naverteld.
Jean Louis Pisuisse werd op zes september 1880 geboren in Vlissingen, Walstraat 27. Zijn vader was inspecteur bij het loodswezen. Hij bezocht de HBS in Middelburg en kreeg daarna als beginnend journalist een baan bij de Middelburgsche Courant. Op 20-jarige leeftijd vertrok hij naar Amsterdam waar hij achtereenvolgens bij de Amsterdamsche Courant en het Algemeen Handelsblad werkte. Voor dat laatste blad verbleef hij regelmatig in het buitenland. In Parijs maakte Jean Louis kennis met een nieuwe kunstvorm die voornamelijk in kroegen werd beoefend: het “Cabaret artistique”. Dat inspireerde hem om zijn baan op te zeggen en zich geheel aan een nieuwe carrière als cabaretier te gaan wijden. Hij richtte een gezelschap op waarbij tientallen jonge Nederlandse artiesten zich aansloten. Onder andere Louis Davids, Willy Corsari en Koos Speenhoff hebben kortere of langere tijd bij Pisuisse gespeeld.
Slecht nieuws heeft echter altijd de neiging om goed nieuws te overvleugelen en bij Pisuisse was dat niet anders. De ‘vader’ van het Nederlandse cabaret werd bij het grote publiek vooral bekend door zijn liefdesleven, dat uiteindelijk ook zijn einde zou betekenen. Hij trouwde drie keer: in 1903 met Jacoba Smit, een huwelijk waaruit een zoon en een dochter werden geboren, in 1913 met Sophia de Jong, meer bekend onder de artiestennaam Fie Carelsen en in 1927 met Jenny Gilliams bij wie hij nog een dochter kreeg maar die hij ook bedroog met zijn tweede vrouw van wie hij net was gescheiden. Kort na een tweejarige tournee in Nederlands-Indië werd Jenny in augustus 1927 verliefd op een zanger die toen net deel uitmaakte van het gezelschap van Pisuisse: Tjakko Kuiper. Hoewel de liefde wederzijds was en volgens naaste bronnen zeer gepassioneerd, koos Jenny uiteindelijk toch voor haar huwelijk met Jean Louis. Dat kon haar minnaar niet verkroppen en op 26 november 1927 kwam het tot een fatale confrontatie op het Rembrandtsplein in Amsterdam. Kuiper had zich een Duits legerpistool aangeschaft en wachtte het echtpaar om acht uur ‘s avonds op. Het was al donker en ze zagen hem pas toen ze tot op een meter waren genaderd. Kuiper richtte zijn pistool en schoot met vijf kogels zijn rivaal en zijn geliefde dood. Met de laatste kogel pleegde hij zelfmoord. De moord schokte heel Nederland en beheerste wekenlang het nieuws. Pisuisse was slechts 47 jaar geworden en zijn begrafenis toonde, geheel in stijl, groots en meeslepend.
Jean Louis Pisuisse werd op zes september 1880 geboren in Vlissingen, Walstraat 27. Zijn vader was inspecteur bij het loodswezen. Hij bezocht de HBS in Middelburg en kreeg daarna als beginnend journalist een baan bij de Middelburgsche Courant. Op 20-jarige leeftijd vertrok hij naar Amsterdam waar hij achtereenvolgens bij de Amsterdamsche Courant en het Algemeen Handelsblad werkte. Voor dat laatste blad verbleef hij regelmatig in het buitenland. In Parijs maakte Jean Louis kennis met een nieuwe kunstvorm die voornamelijk in kroegen werd beoefend: het “Cabaret artistique”. Dat inspireerde hem om zijn baan op te zeggen en zich geheel aan een nieuwe carrière als cabaretier te gaan wijden. Hij richtte een gezelschap op waarbij tientallen jonge Nederlandse artiesten zich aansloten. Onder andere Louis Davids, Willy Corsari en Koos Speenhoff hebben kortere of langere tijd bij Pisuisse gespeeld.
Slecht nieuws heeft echter altijd de neiging om goed nieuws te overvleugelen en bij Pisuisse was dat niet anders. De ‘vader’ van het Nederlandse cabaret werd bij het grote publiek vooral bekend door zijn liefdesleven, dat uiteindelijk ook zijn einde zou betekenen. Hij trouwde drie keer: in 1903 met Jacoba Smit, een huwelijk waaruit een zoon en een dochter werden geboren, in 1913 met Sophia de Jong, meer bekend onder de artiestennaam Fie Carelsen en in 1927 met Jenny Gilliams bij wie hij nog een dochter kreeg maar die hij ook bedroog met zijn tweede vrouw van wie hij net was gescheiden. Kort na een tweejarige tournee in Nederlands-Indië werd Jenny in augustus 1927 verliefd op een zanger die toen net deel uitmaakte van het gezelschap van Pisuisse: Tjakko Kuiper. Hoewel de liefde wederzijds was en volgens naaste bronnen zeer gepassioneerd, koos Jenny uiteindelijk toch voor haar huwelijk met Jean Louis. Dat kon haar minnaar niet verkroppen en op 26 november 1927 kwam het tot een fatale confrontatie op het Rembrandtsplein in Amsterdam. Kuiper had zich een Duits legerpistool aangeschaft en wachtte het echtpaar om acht uur ‘s avonds op. Het was al donker en ze zagen hem pas toen ze tot op een meter waren genaderd. Kuiper richtte zijn pistool en schoot met vijf kogels zijn rivaal en zijn geliefde dood. Met de laatste kogel pleegde hij zelfmoord. De moord schokte heel Nederland en beheerste wekenlang het nieuws. Pisuisse was slechts 47 jaar geworden en zijn begrafenis toonde, geheel in stijl, groots en meeslepend.
(91) Een bejaarde zeeheld
In de zeventiende eeuw kende Vlissingen, landelijk gezien een kleine stad, een buitengewoon hoog aantal zeehelden. Meer dan twintig van hen bereikten de functie van vice-admiraal of hoger en kwamen in de nationale en zelfs internationale geschiedenisboekjes terecht. Dat laatste omdat ze naast hun hoge functie, zonder uitzondering deelnamen aan de gevechten op zee en daar heldendaden verrichten. Soms echter ging het ook wel eens mis.
Zoals bij Jan Evertsen junior, de oudste zoon van Jan Evertsen senior en Maayken Jans, de vrouw waarvoor onlangs een standbeeld is geplaatst op de boulevard. Jan had een indrukwekkende carrière achter de rug als marineman en is een van de meest productieve Nederlandse zeehelden, die tot op hoge leeftijd doorging met zijn vak. Toen in 1665 de Tweede Engelse Oorlog uitbrak was de 65-jarige Evertsen luitenant-admiraal, de op één na hoogste functie bij de marine. Tijdens de zeeslag bij Lowestoft, die door de Republiek op een dramatische nederlaag zou uitlopen, sneuvelden de twee meerderen van Evertsen en kon deze het commando overnemen. Geen aangenaam vooruitzicht omdat het waarschijnlijk op dat moment al duidelijk was dat de strijd niet meer gewonnen kon worden. De vloot werd uiteengeslagen waarna een deel van de overgebleven schepen koers zette naar Texel en een ander deel, onder leiding van Evertsen, naar Hellevoetsluis. Omdat het slechts ging om vier schepen was zijn aankomst verre van heroïsch. Er lag een bevel om zich in de Staten Generaal te komen verantwoorden en in de publieke opinie overheerste het beeld dat het zijn schuld was dat de vloot in de pan was gehakt en er zoveel doden waren gevallen. Op weg naar Den Haag kwam hij voorbij Den Briel, waar een woedende volksmenigte, waaronder veel zeemansweduwen, hem uit zijn rijtuig haalden, mishandelden, vastbonden, in de gracht gooiden en voor dood achterlieten. De bejaarde luitenant-admiraal wist zich echter met behulp van een groepje soldaten uit het water te hijsen en ontvluchtte de stad. Zijn verslag bij de Staten Generaal viel niet in goede aarde en hij werd zelfs beschuldigd van lafheid, een militair misdrijf dat behandeld moest worden voor de krijgsraad in Den Helder, waar hij onder gewapende begeleiding naar toe werd gebracht. Uiteindelijk ging de hele rechtzaak niet door omdat steeds duidelijker werd dat Evertsen wel degelijk had teruggevochten. De berichten over de meer dan honderd kogelgaten in zijn schip onderstreepten dat.
Hij werd gerehabiliteerd, kon zijn functie van luitenant-generaal houden en mocht zich in zijn laatste jaren gaan bezighouden met onder andere het verbeteren van de uitrusting van de Zeeuwse marinevloot. Het lot besliste echter anders. Zijn broer, Cornelis Evertsen die in 1665 ook was benoemd tot luitenant-admiraal, sneuvelde op 12 juni 1666 tijdens de Vierdaagse Zeeslag tegen de Engelsen. Ruim een week later kreeg Jan het verzoek om de taken van zijn broer over te nemen als tweede man onder de nieuwe admiraal Michiel de Ruyter. Deze nieuwe fase in zijn leven duurde slechts zes weken. Op 4 augustus 1666 werd, op de tweede dag van de Tweedaagse Zeeslag, zijn been verbrijzeld door een kogel, aan de verwondingen waarvan hij de volgende dag overleed.
Zoals bij Jan Evertsen junior, de oudste zoon van Jan Evertsen senior en Maayken Jans, de vrouw waarvoor onlangs een standbeeld is geplaatst op de boulevard. Jan had een indrukwekkende carrière achter de rug als marineman en is een van de meest productieve Nederlandse zeehelden, die tot op hoge leeftijd doorging met zijn vak. Toen in 1665 de Tweede Engelse Oorlog uitbrak was de 65-jarige Evertsen luitenant-admiraal, de op één na hoogste functie bij de marine. Tijdens de zeeslag bij Lowestoft, die door de Republiek op een dramatische nederlaag zou uitlopen, sneuvelden de twee meerderen van Evertsen en kon deze het commando overnemen. Geen aangenaam vooruitzicht omdat het waarschijnlijk op dat moment al duidelijk was dat de strijd niet meer gewonnen kon worden. De vloot werd uiteengeslagen waarna een deel van de overgebleven schepen koers zette naar Texel en een ander deel, onder leiding van Evertsen, naar Hellevoetsluis. Omdat het slechts ging om vier schepen was zijn aankomst verre van heroïsch. Er lag een bevel om zich in de Staten Generaal te komen verantwoorden en in de publieke opinie overheerste het beeld dat het zijn schuld was dat de vloot in de pan was gehakt en er zoveel doden waren gevallen. Op weg naar Den Haag kwam hij voorbij Den Briel, waar een woedende volksmenigte, waaronder veel zeemansweduwen, hem uit zijn rijtuig haalden, mishandelden, vastbonden, in de gracht gooiden en voor dood achterlieten. De bejaarde luitenant-admiraal wist zich echter met behulp van een groepje soldaten uit het water te hijsen en ontvluchtte de stad. Zijn verslag bij de Staten Generaal viel niet in goede aarde en hij werd zelfs beschuldigd van lafheid, een militair misdrijf dat behandeld moest worden voor de krijgsraad in Den Helder, waar hij onder gewapende begeleiding naar toe werd gebracht. Uiteindelijk ging de hele rechtzaak niet door omdat steeds duidelijker werd dat Evertsen wel degelijk had teruggevochten. De berichten over de meer dan honderd kogelgaten in zijn schip onderstreepten dat.
Hij werd gerehabiliteerd, kon zijn functie van luitenant-generaal houden en mocht zich in zijn laatste jaren gaan bezighouden met onder andere het verbeteren van de uitrusting van de Zeeuwse marinevloot. Het lot besliste echter anders. Zijn broer, Cornelis Evertsen die in 1665 ook was benoemd tot luitenant-admiraal, sneuvelde op 12 juni 1666 tijdens de Vierdaagse Zeeslag tegen de Engelsen. Ruim een week later kreeg Jan het verzoek om de taken van zijn broer over te nemen als tweede man onder de nieuwe admiraal Michiel de Ruyter. Deze nieuwe fase in zijn leven duurde slechts zes weken. Op 4 augustus 1666 werd, op de tweede dag van de Tweedaagse Zeeslag, zijn been verbrijzeld door een kogel, aan de verwondingen waarvan hij de volgende dag overleed.
(90) Stad van zeehelden
Ondanks het feit dat de zeventiende eeuw voor Vlissingen behoorlijk welvarend was, veranderde er in de stad na 1613 nagenoeg niets meer. Vlissingen was in de eerste dertien jaar van die eeuw uitgebreid met nieuwe woonwijken en drie nieuwe havens en daar zou het tweehonderd jaar lang bij blijven. Men kon tussen 1572 en 1713 profiteren van de Gouden Eeuw, die vooral de Hollandse steden vooruithielp in de vaart der volken, maar het bleef in de Scheldestad bij het oppikken van de kruimels. Daar kwam nog bij dat de Vlissingse havens meer en meer werden gebruikt als thuisbasis voor de nationale marine waardoor er steeds minder plaats was voor schepen die waren gericht op de handel.
Waar Vlissingen zich in de Gouden Eeuw wél mee onderscheidde was het, vergeleken met de rest van de Nederland, onevenredig aantal nationale zeehelden dat de stad kon voortbrengen. Dit gold in absolute zin, maar zeker in relatieve zin, omdat Vlissingen met 6.000 inwoners nog steeds een kleine stad was, na Middelburg met 27.000 en Zierikzee met 10.500, de derde van Zeeland en de negenentwintigste van Nederland. Hoewel de nadruk in de geschiedschrijving is komen te liggen op de persoon van Michiel de Ruyter, zijn er vierentwintig andere zeehelden te noemen die in de buurt kwamen, gelijk waren of waarvan de daden zelfs groter waren dan die van de enige zeeheld die in Vlissingen een standbeeld heeft gekregen.
Hieronder staan de zeehelden in volgorde van de tijd waarin ze hun heldendaden verrichtten: respectievelijk in de periodes 1572-1600 en 1600-1700.
Vlissingse zeehelden 1572-1600:
1. Ewout Pietersz Worst
2. Bouwen Ewoutsz
3. Adriaan Cornelisz.
4. Jan de Moor
5. Joos de Moor
6. Evert Heindricxssen
7. Cornelis Claasz
Vlissingse zeehelden 1600-1700:
8. Cornelis Geleynsen
9. Jan Evertsen
10. Marinus Hollaer
11. Joost Bankert
12. Pieter Adriaensen Ita
13. Maerten Thyssen
14. Johan Gysseling
15. Jan Evertsen
16. Cornelis Evertsen
17. Adriaan Bankert
18. Cornelis Evertsen
19. Michiel Adriaenszoon de Ruyter
20. Carel van de Putte
21. Jan Erasmus Reyning
22. Cornelis Evertsen
23. saac Rochussen
24. Engel de Ruyter
25. Geleyn Evertsen
Zij vochten als leidinggevende mee in maar liefst 36 zeeslagen. Opvallend is dat de meeste, 18, niet plaatsvonden in de Tachtigjarige Oorlog, maar tijdens de drie Engelse Oorlogen in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Na 1713 was het afgelopen met het Vlissingse zeeheldendom. Er waren in de achttiende eeuw weinig internationale conflicten die tot grootschalig machtsvertoon leidden en de Vlissingse zeehelden die er waren, kwam uit Frankrijk. Maar daarover later meer.
Waar Vlissingen zich in de Gouden Eeuw wél mee onderscheidde was het, vergeleken met de rest van de Nederland, onevenredig aantal nationale zeehelden dat de stad kon voortbrengen. Dit gold in absolute zin, maar zeker in relatieve zin, omdat Vlissingen met 6.000 inwoners nog steeds een kleine stad was, na Middelburg met 27.000 en Zierikzee met 10.500, de derde van Zeeland en de negenentwintigste van Nederland. Hoewel de nadruk in de geschiedschrijving is komen te liggen op de persoon van Michiel de Ruyter, zijn er vierentwintig andere zeehelden te noemen die in de buurt kwamen, gelijk waren of waarvan de daden zelfs groter waren dan die van de enige zeeheld die in Vlissingen een standbeeld heeft gekregen.
Hieronder staan de zeehelden in volgorde van de tijd waarin ze hun heldendaden verrichtten: respectievelijk in de periodes 1572-1600 en 1600-1700.
Vlissingse zeehelden 1572-1600:
1. Ewout Pietersz Worst
2. Bouwen Ewoutsz
3. Adriaan Cornelisz.
4. Jan de Moor
5. Joos de Moor
6. Evert Heindricxssen
7. Cornelis Claasz
Vlissingse zeehelden 1600-1700:
8. Cornelis Geleynsen
9. Jan Evertsen
10. Marinus Hollaer
11. Joost Bankert
12. Pieter Adriaensen Ita
13. Maerten Thyssen
14. Johan Gysseling
15. Jan Evertsen
16. Cornelis Evertsen
17. Adriaan Bankert
18. Cornelis Evertsen
19. Michiel Adriaenszoon de Ruyter
20. Carel van de Putte
21. Jan Erasmus Reyning
22. Cornelis Evertsen
23. saac Rochussen
24. Engel de Ruyter
25. Geleyn Evertsen
Zij vochten als leidinggevende mee in maar liefst 36 zeeslagen. Opvallend is dat de meeste, 18, niet plaatsvonden in de Tachtigjarige Oorlog, maar tijdens de drie Engelse Oorlogen in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Na 1713 was het afgelopen met het Vlissingse zeeheldendom. Er waren in de achttiende eeuw weinig internationale conflicten die tot grootschalig machtsvertoon leidden en de Vlissingse zeehelden die er waren, kwam uit Frankrijk. Maar daarover later meer.
(89) Geschiedenis van een geschiedenis
Deze maand, om precies te zijn op 2 april 2014, bestond de stad Vlissingen 699 jaar. Op die datum in 1315 kreeg Vlissingen van de toenmalige graaf Willem III van Holland en Zeeland, officiële stadsrechten. Het is ook precies twee jaar geleden dat ik het idee kreeg om dit te gaan vastleggen in een echte stadsgeschiedenis een dikke pil waarin de volledige 700 jaar aan bod moest komen, het liefst nog voorafgegaan door de voorgeschiedenis. Ik wist dat er van overheidswege weinig geld beschikbaar was en ook dat de Vlissinger waar voor zijn geld wil hebben. Wanneer een boek 29 euro kost, moet je wel iets hebben dat letterlijk en figuurlijk gewicht in de schaal legt.
Na wat vooronderzoek naar mogelijke andere initiatieven, die er niet bleken te zijn, begon ik met het schrijven van 15 artikelen in het historisch tijdschrift van Vlissingen, Den Spiegel. De bedoeling was dat ik aan iedere eeuw twee artikelen zou wijden. Tegelijkertijd kon ik het benodigde onderzoek verrichten in de beschikbare historische bronnen en in de literatuur. Precies een jaar geleden, april 2013, rondde ik het vijftiende en laatste artikel af en het grootste deel van mijn onderzoek. Ik lag op schema, want voor het schrijven, produceren en uitgeven van het boek zou nog eens twee jaar nodig zijn. Op het moment dat ik dit artikel schrijf, april 2014 (wat is dat toch met die maand april…), heb ik 650 pagina’s geschreven, ben ik aanbeland in 1813 en weet ik dat het boek een dikke pil gaat worden van meer dan een kilo met op iedere pagina één of meer illustraties. Het ontwerp is al gemaakt en ik moet als de wiedeweerga verder om de twee resterende eeuwen op papier te zetten. De twintigste en eenentwintigste eeuw worden de moeilijkste. Een behoorlijk aantal Vlissingers heeft een groot deel hiervan zelf meegemaakt en er zijn zoveel geschiedenissen als er mensen zijn die erover kunnen meepraten. Gelukkig kan ik de lijn doortrekken die ik ook voor de eerste zes eeuwen heb gebruikt: alleen wanneer iets is aangetoond met echte schriftelijke of materiële bronnen, komt het in het boek. Af en toe speculeer ik over de grote lijnen, maar dan zet ik het er altijd bij. Geschiedenis is een levende wetenschap en door middel van vervolgonderzoeken komen we steeds meer te weten over hoe het er precies aan is toegegaan in vroeger tijden.
Ter zake nu. Het is mijn droom dat het boek, met de titel “Vissers, Kapers, Arbeiders”, straks in iedere Vlissingse huiskamer op de plank staat. In de voorinschrijvingsperiode waren er al ruim 850 intekenaars. Zij maakten de productie van het boek mogelijk. Na 2 april 2015 is het boek in de boekhandel (De drvkkery in Vlissingen en Middelburg) verkrijgbaar, tegen de normale prijs van 39 euro.
Na wat vooronderzoek naar mogelijke andere initiatieven, die er niet bleken te zijn, begon ik met het schrijven van 15 artikelen in het historisch tijdschrift van Vlissingen, Den Spiegel. De bedoeling was dat ik aan iedere eeuw twee artikelen zou wijden. Tegelijkertijd kon ik het benodigde onderzoek verrichten in de beschikbare historische bronnen en in de literatuur. Precies een jaar geleden, april 2013, rondde ik het vijftiende en laatste artikel af en het grootste deel van mijn onderzoek. Ik lag op schema, want voor het schrijven, produceren en uitgeven van het boek zou nog eens twee jaar nodig zijn. Op het moment dat ik dit artikel schrijf, april 2014 (wat is dat toch met die maand april…), heb ik 650 pagina’s geschreven, ben ik aanbeland in 1813 en weet ik dat het boek een dikke pil gaat worden van meer dan een kilo met op iedere pagina één of meer illustraties. Het ontwerp is al gemaakt en ik moet als de wiedeweerga verder om de twee resterende eeuwen op papier te zetten. De twintigste en eenentwintigste eeuw worden de moeilijkste. Een behoorlijk aantal Vlissingers heeft een groot deel hiervan zelf meegemaakt en er zijn zoveel geschiedenissen als er mensen zijn die erover kunnen meepraten. Gelukkig kan ik de lijn doortrekken die ik ook voor de eerste zes eeuwen heb gebruikt: alleen wanneer iets is aangetoond met echte schriftelijke of materiële bronnen, komt het in het boek. Af en toe speculeer ik over de grote lijnen, maar dan zet ik het er altijd bij. Geschiedenis is een levende wetenschap en door middel van vervolgonderzoeken komen we steeds meer te weten over hoe het er precies aan is toegegaan in vroeger tijden.
Ter zake nu. Het is mijn droom dat het boek, met de titel “Vissers, Kapers, Arbeiders”, straks in iedere Vlissingse huiskamer op de plank staat. In de voorinschrijvingsperiode waren er al ruim 850 intekenaars. Zij maakten de productie van het boek mogelijk. Na 2 april 2015 is het boek in de boekhandel (De drvkkery in Vlissingen en Middelburg) verkrijgbaar, tegen de normale prijs van 39 euro.
(88) Een schip van oorlog
In het begin van de zeventiende eeuw was Vlissingen de grootste marinestad van Zeeland met de meeste en aanzienlijkste oorlogsschepen. De stad ook het grootste aandeel in de bemanningen van de schepen: bijna de helft van de beroepsbevolking vond werk in deze sector. Dat was ook wel weer nadelig voor Vlissingen omdat daardoor andere sectoren zoals handel en nijverheid maar moeilijk van de grond kwamen.
Het grootste schip van de admiraliteit in deze periode was De Zeehont, die plaats bood aan 136 bemanningsleden. De thuishaven was Vlissingen en de gezagvoerder Jan Evertsen, de aartsvader van het beroemde geslacht van Vlissingse zeehelden. De vijf zonen die Jan kreeg bij zijn vrouw Mayken Jans: Johan, Evert, Pieter, Geleyn en Cornelis, brachten het allemaal tot hoge posities in de zeemacht van de Republiek, evenals een aantal van zijn kleinzonen. Jan had al vroeg veel vertrouwen in zijn kinderen. De oudste, Johan, mocht al jong met hem mee en werd op zestienjarige leeftijd, in september 1616, schipper op De Zeehont. In deze functie werd hij na zijn vader de belangrijkste man op het schip en, in geval van nood zelfs diens plaatsvervanger. In zijn tweede jaar als schipper werd dit ook realiteit. Jan Evertsen senior sneuvelde op 18 juni 1617 tijdens een gevecht met Duinkerker kapers en Jan junior moest de leiding over het grootste schip van de Admiraliteit overnemen. Hij was toen zeventien jaar.
Op De Zeehont moesten meer dan 25 functies worden vervuld. Vader en zoon Evertsen hadden als respectievelijk kapitein en schipper de feitelijke leiding over het schip en werden op militair gebied terzijde gestaan door de vice-admiraal van de Zeeuwse Admiraliteit, Rogier Pietersen. De staf van De Zeehont bestond verder uit twee stuurmannen, twee gepensioneerde officieren die nog wat te doen wilden hebben, een schrijver die de reisverslagen moest maken en zes bootsmannen die verantwoordelijk waren voor de zeilen, het tuig en de ankers. Ook de drie kwartiermeesters, een soort personeelsfunctionarissen, en de bottelier, die voor de rantsoenering zorgde, werden nog tot de leiding van het schip gerekend, zij het in een veel lagere rang dan de anderen. De 77 kanonniers moesten de kanonnen bedienen waarvan de lopen in twee lagen aan zowel de bakboord- als de stuurboordzijde uit het schip staken. De laagste in aanzien waren de acht scheepsjongens die werden ingeschakeld voor allerlei hand- en spandiensten. Een aparte positie hadden de drie chirurgijns die vooral actief moesten worden bij gevechten waarbij gewonden vielen. Het aantal van drie geeft aan dat dit geen overbodige luxe was. Overigens moeten we ons van het beroep chirurgijn niet al te veel voorstellen. Hoewel ze de rang hadden van officier, waren er voor het uitoefenen van de werkzaamheden slechts een klein aantal basisvaardigheden nodig: amputatie, aderlating, wondverzorging en het spalken van gebroken botten. Hun voornaamste zorg was het zo goed en kwaad als het kon beperken van de pijn tijdens de operaties en het verminderen van de kansen op infecties. Voor het eerste gebruikten ze laudanum en alcohol, voor het laatste niet zelden een gloeiende pook waarmee de wonden werden dichtgeschroeid en de bacteriën gedood. Tenslotte waren er op het schip nog een aantal eenlingen, zoals de kok, de timmerman, de zeilmaker en de provoost. De laatste moest de orde en de tucht handhaven.
In 1617 waren er 119 bemanningsleden actief op De Zeehont. Iets meer dan de helft was van Vlissingse afkomst. De rest kwam uit steden in de buurt, zoals Veere, Arnemuiden, Domburg, Zoutelande en Zierikzee, maar ook uit verder weg gelegen gebieden: Holland, Engeland, Duitsland en Frankrijk. Dat gold ook voor de andere oorlogsschepen die in de havens van Vlissingen lagen. Zonder twijfel zorgden de honderden vreemdelingen die in deze periode naar Vlissingen kwamen om aan te monsteren, voor veel levendigheid in de stad, die daardoor een internationale allure kreeg en bekend en berucht was tot ver over de grenzen van de provincie.
Het grootste schip van de admiraliteit in deze periode was De Zeehont, die plaats bood aan 136 bemanningsleden. De thuishaven was Vlissingen en de gezagvoerder Jan Evertsen, de aartsvader van het beroemde geslacht van Vlissingse zeehelden. De vijf zonen die Jan kreeg bij zijn vrouw Mayken Jans: Johan, Evert, Pieter, Geleyn en Cornelis, brachten het allemaal tot hoge posities in de zeemacht van de Republiek, evenals een aantal van zijn kleinzonen. Jan had al vroeg veel vertrouwen in zijn kinderen. De oudste, Johan, mocht al jong met hem mee en werd op zestienjarige leeftijd, in september 1616, schipper op De Zeehont. In deze functie werd hij na zijn vader de belangrijkste man op het schip en, in geval van nood zelfs diens plaatsvervanger. In zijn tweede jaar als schipper werd dit ook realiteit. Jan Evertsen senior sneuvelde op 18 juni 1617 tijdens een gevecht met Duinkerker kapers en Jan junior moest de leiding over het grootste schip van de Admiraliteit overnemen. Hij was toen zeventien jaar.
Op De Zeehont moesten meer dan 25 functies worden vervuld. Vader en zoon Evertsen hadden als respectievelijk kapitein en schipper de feitelijke leiding over het schip en werden op militair gebied terzijde gestaan door de vice-admiraal van de Zeeuwse Admiraliteit, Rogier Pietersen. De staf van De Zeehont bestond verder uit twee stuurmannen, twee gepensioneerde officieren die nog wat te doen wilden hebben, een schrijver die de reisverslagen moest maken en zes bootsmannen die verantwoordelijk waren voor de zeilen, het tuig en de ankers. Ook de drie kwartiermeesters, een soort personeelsfunctionarissen, en de bottelier, die voor de rantsoenering zorgde, werden nog tot de leiding van het schip gerekend, zij het in een veel lagere rang dan de anderen. De 77 kanonniers moesten de kanonnen bedienen waarvan de lopen in twee lagen aan zowel de bakboord- als de stuurboordzijde uit het schip staken. De laagste in aanzien waren de acht scheepsjongens die werden ingeschakeld voor allerlei hand- en spandiensten. Een aparte positie hadden de drie chirurgijns die vooral actief moesten worden bij gevechten waarbij gewonden vielen. Het aantal van drie geeft aan dat dit geen overbodige luxe was. Overigens moeten we ons van het beroep chirurgijn niet al te veel voorstellen. Hoewel ze de rang hadden van officier, waren er voor het uitoefenen van de werkzaamheden slechts een klein aantal basisvaardigheden nodig: amputatie, aderlating, wondverzorging en het spalken van gebroken botten. Hun voornaamste zorg was het zo goed en kwaad als het kon beperken van de pijn tijdens de operaties en het verminderen van de kansen op infecties. Voor het eerste gebruikten ze laudanum en alcohol, voor het laatste niet zelden een gloeiende pook waarmee de wonden werden dichtgeschroeid en de bacteriën gedood. Tenslotte waren er op het schip nog een aantal eenlingen, zoals de kok, de timmerman, de zeilmaker en de provoost. De laatste moest de orde en de tucht handhaven.
In 1617 waren er 119 bemanningsleden actief op De Zeehont. Iets meer dan de helft was van Vlissingse afkomst. De rest kwam uit steden in de buurt, zoals Veere, Arnemuiden, Domburg, Zoutelande en Zierikzee, maar ook uit verder weg gelegen gebieden: Holland, Engeland, Duitsland en Frankrijk. Dat gold ook voor de andere oorlogsschepen die in de havens van Vlissingen lagen. Zonder twijfel zorgden de honderden vreemdelingen die in deze periode naar Vlissingen kwamen om aan te monsteren, voor veel levendigheid in de stad, die daardoor een internationale allure kreeg en bekend en berucht was tot ver over de grenzen van de provincie.
(87) Schuldig of onschuldig?
De terechtstelling van Don Pedro Pacieco, een maand nadat de Vlissingers zich hadden bevrijd van de Spanjaarden, wordt als een zwarte bladzijde gezien in de geschiedenis van de stad. De Spaanse edele was waarschijnlijk onschuldig en zou onder invloed van de volkswoede zijn opgehangen. Tijd om eens wat meer in detail te kijken naar de gang van zaken in de maand voor zijn executie.
Pacieco arriveerde kort na 6 april, op de tweede of de derde paasdag, in Vlissingen, zo kort dat hij nog niet op de hoogte kon zijn van de machtwisseling die in de stad had plaatsgevonden. Nadat hij aan land was gekomen, zag hij dat een van de leiders van de opstand, Jacob de Rijk op hem afstapte. Pacieco verkeerde in de veronderstelling dat De Rijk, die hij kende, hem kwam verwelkomen. Al snel echter drong het tot de Spanjaard door dat er iets niet in orde was. Bevangen door angst en hopend op een goede afloop gaf hij zich over, trok de zegelring van zijn vingers en gaf die aan de hopman in bewaring. Deze nam de ring aan en liet Pacieco wegvoeren. Onderweg werd hij uitgejouwd door het samengestroomde volk dat zijn dood eiste. Op een of andere manier was het gerucht de wereld in geholpen dat de gevangene de zoon van Alva was. Pacieco werd eerst naar een burgerwoning bij de Oude brug gebracht, en later naar het Stadts Ghevanghenhuys. Hij werd daar bezocht door een aantal burgers uit Deventer waar hij volgens hen een van de leiders van de bezetting was geweest. Deze vertelden vreselijke verhalen over hem, onder andere dat hij een van hun dochters voor eigen gebruik had opgeëist om ermee te kunnen doen wat hij wilde. De haat tegen Pacieco in Deventer was mede daarom zeer groot en het was voor de afgevaardigden uit die stad geen vraag meer welke straf hij zou moeten krijgen: de doodstraf.
De dagen en weken daarop liep Vlissingen vol met geuzen en andere avonturiers. De belangrijkste geuzenleider Willem Bloys van Treslong liet met drie schepen maar liefst 200 mannen overbrengen naar de Scheldestad. Het was Treslong die aandrong op een snelle berechting van Pacieco. Hij dacht zeker te weten dat de Spanjaard zijn broer had vermoord. Wat daarnaast tegen de Spanjaard pleitte, was het gerucht dat hij een lijst met Vlissingers bij zich had die in opdracht van Alva moesten worden terechtgesteld. Deze lijst zou hij op weg naar de gevangenis hebben verscheurd en weggegooid.
De rechtzaak tegen Pacieco werd geleid door Glaude de baljuw die hem volgens de hooggespannen verwachtingen tot de dood aan de galg veroordeelde. De gevangene, die daar niet op had gerekend, bood vervolgens geld aan in een poging om onder zijn executie uit te komen. Pacieco smeekte, toen hij eenmaal besefte dat het einde naderde, nog om met het zwaard ter dood gebracht te worden. Onthoofding was minder pijnlijk en bovendien voorbehouden aan de adel en andere hooggeplaatste personen. Het samengestroomde volk schreeuwde echter dat hij geen heer was maar een schelm en eiste de dood aan de galg. Nu werd er In Vlissingen niet zo vaak een doodvonnis uitgevoerd en wanneer dat wel moest gebeuren, maakte men gebruik van de Walcherse beul die in Middelburg woonde. En daar zat het probleem: deze stad was nog in Spaanse handen en het verkeer en de communicatie tussen de twee grootste steden van het eiland was volledig stilgevallen. De Vlissingers moesten dus uit de eigen gelederen een beul rekruteren en dat bleek niet mogelijk. Ten einde raad wendde men zich tot een gevangene die vastzat vanwege een moord. Deze sputterde eerst tegen omdat hij niet kon leven met het idee dat zijn moeder een beul had gebaard. Dan stierf hij liever zelf. Uiteindelijk gaf hij toe nadat hem was verteld dat de ter dood veroordeelde een Spanjaard was die wrede daden op zijn geweten had. Zijn enige eis, dat hij iedereen mocht doden die hem zijn daad zou verwijten, werd ingewilligd en begin mei 1572, een maand na zijn aankomst in Vlissingen, werd Pacieco gehangen door een beul, die zich al had bewezen als moordenaar, maar deze klus tegen zijn zin moest uitvoeren.
NB: Op zaterdag en zondag 5 en 6 april houd ik in het muZEEum te Vlissingen vier keer een lezing met de titel “De Fluwelen Revolutie van 6 april 1572”. De lezing is gratis voor bezoekers van het muZEEum. Op de toegangskaartjes krijgt u het hele weekend 50% korting.
Pacieco arriveerde kort na 6 april, op de tweede of de derde paasdag, in Vlissingen, zo kort dat hij nog niet op de hoogte kon zijn van de machtwisseling die in de stad had plaatsgevonden. Nadat hij aan land was gekomen, zag hij dat een van de leiders van de opstand, Jacob de Rijk op hem afstapte. Pacieco verkeerde in de veronderstelling dat De Rijk, die hij kende, hem kwam verwelkomen. Al snel echter drong het tot de Spanjaard door dat er iets niet in orde was. Bevangen door angst en hopend op een goede afloop gaf hij zich over, trok de zegelring van zijn vingers en gaf die aan de hopman in bewaring. Deze nam de ring aan en liet Pacieco wegvoeren. Onderweg werd hij uitgejouwd door het samengestroomde volk dat zijn dood eiste. Op een of andere manier was het gerucht de wereld in geholpen dat de gevangene de zoon van Alva was. Pacieco werd eerst naar een burgerwoning bij de Oude brug gebracht, en later naar het Stadts Ghevanghenhuys. Hij werd daar bezocht door een aantal burgers uit Deventer waar hij volgens hen een van de leiders van de bezetting was geweest. Deze vertelden vreselijke verhalen over hem, onder andere dat hij een van hun dochters voor eigen gebruik had opgeëist om ermee te kunnen doen wat hij wilde. De haat tegen Pacieco in Deventer was mede daarom zeer groot en het was voor de afgevaardigden uit die stad geen vraag meer welke straf hij zou moeten krijgen: de doodstraf.
De dagen en weken daarop liep Vlissingen vol met geuzen en andere avonturiers. De belangrijkste geuzenleider Willem Bloys van Treslong liet met drie schepen maar liefst 200 mannen overbrengen naar de Scheldestad. Het was Treslong die aandrong op een snelle berechting van Pacieco. Hij dacht zeker te weten dat de Spanjaard zijn broer had vermoord. Wat daarnaast tegen de Spanjaard pleitte, was het gerucht dat hij een lijst met Vlissingers bij zich had die in opdracht van Alva moesten worden terechtgesteld. Deze lijst zou hij op weg naar de gevangenis hebben verscheurd en weggegooid.
De rechtzaak tegen Pacieco werd geleid door Glaude de baljuw die hem volgens de hooggespannen verwachtingen tot de dood aan de galg veroordeelde. De gevangene, die daar niet op had gerekend, bood vervolgens geld aan in een poging om onder zijn executie uit te komen. Pacieco smeekte, toen hij eenmaal besefte dat het einde naderde, nog om met het zwaard ter dood gebracht te worden. Onthoofding was minder pijnlijk en bovendien voorbehouden aan de adel en andere hooggeplaatste personen. Het samengestroomde volk schreeuwde echter dat hij geen heer was maar een schelm en eiste de dood aan de galg. Nu werd er In Vlissingen niet zo vaak een doodvonnis uitgevoerd en wanneer dat wel moest gebeuren, maakte men gebruik van de Walcherse beul die in Middelburg woonde. En daar zat het probleem: deze stad was nog in Spaanse handen en het verkeer en de communicatie tussen de twee grootste steden van het eiland was volledig stilgevallen. De Vlissingers moesten dus uit de eigen gelederen een beul rekruteren en dat bleek niet mogelijk. Ten einde raad wendde men zich tot een gevangene die vastzat vanwege een moord. Deze sputterde eerst tegen omdat hij niet kon leven met het idee dat zijn moeder een beul had gebaard. Dan stierf hij liever zelf. Uiteindelijk gaf hij toe nadat hem was verteld dat de ter dood veroordeelde een Spanjaard was die wrede daden op zijn geweten had. Zijn enige eis, dat hij iedereen mocht doden die hem zijn daad zou verwijten, werd ingewilligd en begin mei 1572, een maand na zijn aankomst in Vlissingen, werd Pacieco gehangen door een beul, die zich al had bewezen als moordenaar, maar deze klus tegen zijn zin moest uitvoeren.
NB: Op zaterdag en zondag 5 en 6 april houd ik in het muZEEum te Vlissingen vier keer een lezing met de titel “De Fluwelen Revolutie van 6 april 1572”. De lezing is gratis voor bezoekers van het muZEEum. Op de toegangskaartjes krijgt u het hele weekend 50% korting.
(86) Een middeleeuwse processie in Vlissingen
Omstreeks 1500 hadden de meeste Vlissingers werk in de visserij en dan vooral de haringsector, net als de twee eeuwen daarvoor. Andere ambachten waren er wel, maar ook die stonden in dienst van de eerstgenoemde groep. Dat blijkt ook uit de richtlijnen die golden voor kerkelijke processies. We beschikken over een beschrijving uit de eerste helft van de zestiende eeuw van zo’n optocht, waarin vertegenwoordigers meeliepen van de verschillende ambachtsgilden. De rangorde was een afspiegeling van de statusverschillen tussen de gilden. In de beschrijving stond ook vermeld wat er moest worden meegedragen: de hoeveelheid kleine en grote kaarsen, toortsen en brandemmers. Dat laatste was belangrijk omdat het brandgevaar in de grotendeels uit houten huizen bestaande stad, zeer groot was. De enige manier om te blussen was met de hand: er stonden overal speciale emmers die in geval van nood moesten worden gevuld met water uit de havens of de watergangen. Er werd dan een menselijk lint gevormd waarmee de emmers werden doorgegeven tot op de plaats van de brand. De laatste man in de rij wierp het water op het vuur. Ieder gilde had de verplichting om een aantal van deze emmers in bezit te hebben en te zorgen dat dit op peil bleef. De processies waren mooie gelegenheden om te controleren of de gilden nog wel aan hun brandweerverplichtingen voldeden: ze moesten immers de emmers meedragen.
De wagenaars liepen voorop. Zij beschikten over paarden en wagens, moesten zorgen voor het onderhoud aan de wegen en waren de spil in de Vlissingse handelsactiviteiten. Achter de wagenaars liepen de viskopers en de visdrogers en daarachter de op de stad zelf gerichte ambachten zoals bakkers, slagers, timmerlieden, metselaars en kleermakers. De stoet werd afgesloten door de drie min of meer militaire gilden: de kolveniers, de handboogschutters en de kruisboogschutters. Van enige andere bedrijfstak die was gericht op handel of productie van exportartikelen zoals textiel, wijn of bier was geen sprake. Behalve dan de haringhandel. Opvallend was dat de vissers zelf slechts op de vijftiende plaats kwamen. Dit zou er op kunnen wijzen dat in de zestiende eeuw niet zij, maar degenen die de vis opkochten, behandelden en op de markt brachten, in een hoger aanzien stonden dan de leveranciers, de vissers zelf.
En het gewone volk? Dat stond langs de kant en vond het waarschijnlijk allemaal prima. Het geloof in God was onvoorwaardelijk en twijfelaars waren er nauwelijks. Een lange optocht in de avonduren van zo’n twee à driehonderd belangrijke stadgenoten die brandende kaarsen en toortsen en voorwerpen uit de kerk droegen en, wie weet: ook wel het beroemde Vlissingse Mariabeeld “op ’t stokske” dat aan de zeezijde langs de dijk stond, moet indruk hebben gemaakt. Een gebeurtenis waarnaar werd uitgekeken. De dagelijkse misère, het gevecht tegen armoede, honger en infecties werden even vergeten. Het besef dat er een hogere macht was en dat er na de dood een beter leven in het verschiet lag waarop zelfs zondaars nog een kans maakten zolang ze maar alles opbiechtten, gaf troost.
De wagenaars liepen voorop. Zij beschikten over paarden en wagens, moesten zorgen voor het onderhoud aan de wegen en waren de spil in de Vlissingse handelsactiviteiten. Achter de wagenaars liepen de viskopers en de visdrogers en daarachter de op de stad zelf gerichte ambachten zoals bakkers, slagers, timmerlieden, metselaars en kleermakers. De stoet werd afgesloten door de drie min of meer militaire gilden: de kolveniers, de handboogschutters en de kruisboogschutters. Van enige andere bedrijfstak die was gericht op handel of productie van exportartikelen zoals textiel, wijn of bier was geen sprake. Behalve dan de haringhandel. Opvallend was dat de vissers zelf slechts op de vijftiende plaats kwamen. Dit zou er op kunnen wijzen dat in de zestiende eeuw niet zij, maar degenen die de vis opkochten, behandelden en op de markt brachten, in een hoger aanzien stonden dan de leveranciers, de vissers zelf.
En het gewone volk? Dat stond langs de kant en vond het waarschijnlijk allemaal prima. Het geloof in God was onvoorwaardelijk en twijfelaars waren er nauwelijks. Een lange optocht in de avonduren van zo’n twee à driehonderd belangrijke stadgenoten die brandende kaarsen en toortsen en voorwerpen uit de kerk droegen en, wie weet: ook wel het beroemde Vlissingse Mariabeeld “op ’t stokske” dat aan de zeezijde langs de dijk stond, moet indruk hebben gemaakt. Een gebeurtenis waarnaar werd uitgekeken. De dagelijkse misère, het gevecht tegen armoede, honger en infecties werden even vergeten. Het besef dat er een hogere macht was en dat er na de dood een beter leven in het verschiet lag waarop zelfs zondaars nog een kans maakten zolang ze maar alles opbiechtten, gaf troost.
(85) Oer-Vlissingers
Vorige week presenteerde ik op deze plek een grafiek waarin de aantallen inwoners van Vlissingen in verband werden gebracht met de hoeveel beschikbare woongrond in de stad. Het bleek dat vooral in 1581 de situatie zeer nijpend was: de 4.000 Vlissingers van toen woonden op een stukje grond dat slechts twee keer groter was dan het stukje waarop in 1315 100 mensen woonden. In 1613 was de toestand aanzienlijk verbeterd omdat toen de stad eindelijk fors kon worden uitgebreid. Het aantal inwoners was ook weer flink gestegen: naar 6.000. Misschien heeft u zich afgevraagd waar al deze mensen vandaan kwamen, misschien ook niet, maar ik geef u deze week toch het antwoord: het waren immigranten uit de gebieden ten zuiden van Zeeland, en dan vooral Vlaanderen en Brabant.
Gedurende de gehele zestiende eeuw en de eerste dertien jaar van de zeventiende eeuw, schreven zich 3.718 immigranten in als inwoner van Vlissingen. Bijna de helft daarvan vestigde zich in de laatste dertig jaar van deze periode. Inclusief de gezinnen waren dat in 113 jaar meer dan 10.000 mensen, waarmee de immigratie kan worden gezien als de belangrijkste motor van de bevolkingsgroei in de stad. Daarnaast zorgden ook de verbeterde leefomstandigheden voor minder kindersterfte, meer weerstand tegen dodelijke infectieziekten en waarschijnlijk ook een afname van geweldsmisdrijven. In de tabel zijn de vijftig steden gepresenteerd waar vandaan de meeste immigranten naar Vlissingen kwamen tussen 1581 en 1613.
Gedurende de gehele zestiende eeuw en de eerste dertien jaar van de zeventiende eeuw, schreven zich 3.718 immigranten in als inwoner van Vlissingen. Bijna de helft daarvan vestigde zich in de laatste dertig jaar van deze periode. Inclusief de gezinnen waren dat in 113 jaar meer dan 10.000 mensen, waarmee de immigratie kan worden gezien als de belangrijkste motor van de bevolkingsgroei in de stad. Daarnaast zorgden ook de verbeterde leefomstandigheden voor minder kindersterfte, meer weerstand tegen dodelijke infectieziekten en waarschijnlijk ook een afname van geweldsmisdrijven. In de tabel zijn de vijftig steden gepresenteerd waar vandaan de meeste immigranten naar Vlissingen kwamen tussen 1581 en 1613.

