(18) Visserij en zoutwinning in middeleeuws Vlissingen


Voor de inwoners van het dorp Vlissinghe was omstreeks 1250 visserij de belangrijkste inkomstenbron. Dat gebeurde met behulp van kleine schepen die zich niet al te ver buitengaats konden begeven. De bootjes hadden geen gegraven haven, maar lagen op het strand of het slik van een getijdenkreek, zoals in Vlissingen het geval was. De vis moest snel aan land worden gebracht en geconsumeerd. Er bestond natuurlijk wel vishandel, maar die was lokaal gericht.

In de dertiende eeuw vond men verschillende technieken uit om de vis te verduurzamen. Verhitten door middel van koken of bakken bestond al veel langer, maar leverde geen langdurig houdbare vis op. Roken kwam al meer in de richting en vooral inzouten bleek een prima manier om de vis langer goed te houden. In de omgeving van Vlissingen werd in die tijd veel zout geproduceerd. Het werd gewonnen uit de veengrond langs de kust, die werd gedroogd en verbrand. Men vermengde de as met zeewater en distilleerde vervolgens uit het pekelwater zuiver zout. Deze techniek, die ‘darinckdelven’ heette, werd door de eigenaren van de grond met lede ogen aangezien en, als het kon, zelfs verboden. Het was immers puur grondbederf dat ten koste ging van de landbouw en de beveiliging tegen overstromingen. Toch zouden deze praktijken nog doorgaan tot het midden van de vijftiende eeuw. Het was dan ook geen toeval dat het haring kaken zoals we dat nu nog steeds doen, in de veertiende eeuw werd uitgevonden in Zeeland, waarschijnlijk Zeeuws-Vlaanderen. We gaan er in de officiĆ«le geschiedschrijving van uit dat Willem Beukelszoon uit Biervliet de bedenker was, maar hiervan bestaat geen direct bewijs.

De Vlissingers waren al een eeuw eerder op de hoogte van de mogelijkheid om vis te verduurzamen door middel van het zout dat in de buurt werd gewonnen. Dit betekende dat er op den duur meer vis gevangen kon worden dan voor het eigen gebruik nodig was, dat men verder kon uitvaren, dat de schepen groter werden en dat er dus meer kon worden verdiend.

Afbeelding: Omstreeks 1250 werd voornamelijk gevist met kleine schepen die zich niet al te ver buitengaats konden begeven (Bron: British Library)