(80) Leerzame skeletten

Een toeristisch nadeel van de stad Vlissingen is dat er weinig oude gebouwen zijn. De stad heeft, met andere woorden, een zeer laag “Anton-Pieck-gehalte”, zoals Middelburg dat bijvoorbeeld wel heeft. Nadelen hebben echter ook voordelen. Een ervan is dat de stad een oase is voor archeologen. Iedere keer dat er weer een huis, gebouw, straat of zelfs hele wijk tegen de vlakte gaat om plaats te maken voor nieuwbouw, kan er gegraven worden en gezocht naar fundamenten, huisraad en menselijke resten uit vroeger tijden.

De geschiedenis van Vlissingen ligt vooral onder de grond. Vorig jaar zijn er spectaculaire ontdekkingen gedaan onder de Grote Markt en de Slijkstraat. De resultaten zijn nog niet bekend, maar dat ze teruggaan naar de Middeleeuwen is wel zeker. Een paar jaar eerder is het Scheldekwartier aan de beurt geweest en in 2003 de Oude Markt, naast de Sint-Jacobskerk. Bij de laatstgenoemde opgravingen is ook het oude kerkhof meegenomen en zijn interessante ontdekkingen gedaan over de Vlissingers van de vijftiende en de zestiende eeuw, grofweg tussen 1400 en 1600. Het is misschien allemaal een beetje luguber, maar u moet er toch even doorheen: in totaal zijn de stoffelijke resten gevonden van 716 mensen. Hieruit hebben de archeologen de 100 meest complete skeletten geselecteerd en die onderzocht op lichaams- en gezondheidskenmerken.

Er waren 24 skeletten van kinderen. Van 64 volwassenen kon het geslacht worden vastgesteld. Er waren 32 mannen en 32 vrouwen die gemiddeld 38 en 39 jaar oud waren geworden. Nu is dat 79 en 83 jaar.  Opvallend is dat de Vlissingers gemiddeld vijf jaar eerder stierven dan bijvoorbeeld de inwoners van Delft. De mannen en vrouwen daar werden respectievelijk 49 en 43 jaar. De omstandigheden in Vlissingen waren klaarblijkelijk slechter dan in de Randstad en dan zeker in een wat meer voorname stad als Delft. Dat had in de eerste plaats te maken met de beroepen die de Vlissingers uitoefenden. Vooral vissers en zeelieden hadden zeer gevaarlijk werk: bij iedere afvaart hield men rekening met het ergste: de zeemansdood als gevolg van storm en kaapvaart. Het spreekt vanzelf dat deze doden niet op het kerkhof terecht kwamen, maar op zee bleven.

Ook het werk in de havens was zeer zwaar. Er waren nauwelijks hulpmiddelen en de meeste ladingen moesten worden gesjouwd. Vrouwen waren er op de schepen en op de kades nauwelijks te vinden, maar ook hun leven was zwaar. Dat kwam vooral door kwalen voor, tijdens en na het kraambed. Net als hun mannen bij iedere afvaart niet zeker waren of ze levend terug zouden komen, wisten de vrouwen nooit of ze een zwangerschap konden overleven. Zij leden ook, meer dan mannen, aan ondervoeding. Het schaarse voedsel dat er was, moest in de eerste plaats ten goede komen aan de kostwinner en dan pas aan vrouw en kinderen. Het aantal baby’s tenslotte dat dood ter wereld kwam of de eerste verjaardag niet haalde, was zeer hoog: minimaal één op de vier. Kinderen die bleven leven werden, wanneer er werk was, al vrij vroeg betrokken bij het arbeidsproces.

De opgegraven skeletten geven alleen informatie over ziektes die hun sporen achterlieten op de verschillende botten. Zo leden 37 van de 100 mensen aan slijtage van de wervelkolom, een aandoening die werd en nog steeds wordt veroorzaakt door overbelasting. De link tussen deze aandoening met het zware werk in de havens is snel gelegd. Ook de meeste andere ziekten hadden daarmee te maken: gewrichtsaandoeningen (19 van de 100), botbreuken (11) en peesontstekingen (5). Bijna iedereen had een aangetast gebit. Tandartsen waren er nog niet en het enige onderhoud dat werd gedaan, gebeurde door  kwakzalvers die de markten afstruinden en kappers die op deze manier een tweede gebruik hadden voor hun gereedschap.

Afbeelding 1: Een van de gevonden schedels (Bron: Rapport archeologisch onderzoek Oude Markt 2003, gepubliceerd in 2011)

Afbeelding 2: De Grote Kerk, de tegenwoordige Sint Jacobskerk, waar het 16de eeuwse kerkhof lag (Bron: Eigen collectie auteur)