(171) Waait het hard kapitein?

In de zomervakantie van 1961 verhuisde ons gezin van de Bonedijkestraat in Vlissingen naar de van Doornlaan in West-Souburg. Ik was een jongetje van negen jaar. Mijn broertje was vier, mijn vader werkte bij het veer Vlissingen-Breskens en mijn moeder was huisvrouw. En zo hoorde dat in die jaren. Ons wooncomfort ging er flink op vooruit. Van een flat naar een hoekhuis. Twee verdiepingen, een zolder, een voor-, zij- en achtertuin en een kippenhok. Zonder kippen weliswaar, maar dat kon worden veranderd. Direct na de verhuizing maakte ik mijn entree in de vierde klas van de Marnixschool, aan het eind van de straat. We zaten met twee klassen, de derde en de vierde, in één lokaal. Mijnheer Dorlijn was de onderwijzer. Zoals dat ging in die jaren– en waarschijnlijk nog wel – werden nieuwkomers een tijdje flink uitgeprobeerd: een beetje schelden, wat duwen, in het voorbijgaan per ongeluk botsen en meer van dat soort ellende. Ook mij trof dat lot en ik wenste al na een ochtend dat we teruggingen naar het vertrouwde Vlissingen en naar de moeder aller straten, de Bonedijkestraat. Voor mijn Souburgse kwelgeesten was ik een stadsjongetje en dat soort kreeg er altijd extra van langs. Er was één klasgenoot die niet echt mee deed met de pesterijen. Een beetje wel natuurlijk, je hebt per slot een reputatie hoog te houden, maar ik merkte al snel dat hij mij wel aardig vond. Na een paar dagen nam deze ridder zelfs het voortouw en wist de andere jongens zover te krijgen dat ze stopten. Ik was geaccepteerd en mocht mij vanaf dat moment een echte West-Souburger voelen. Met Arjen, want zo heette de jongen die mij had geholpen, sloot ik vriendschap en die duurt tot op de dag van vandaag voort. Arjen was om nog een andere reden een bijzonder vriendje. Zijn vader was weerkundige en werkte bij het splinternieuwe KNMI-station op het Eiland in Vlissingen. >> lees verder

Afbeelding: Het hoofdstation van het K.N.M.I. omstreeks 1946 langs de Nieuwe Vlissingseweg (Fotocollectie, Gemeentearchief Vlissingen)