(2) Verrader! monster! vloek der aarde!


De politiek in de Zeven Verenigde Nederlanden in de tweede helft van de achttiende eeuw werd beheerst door de conflicten tussen de aanhangers en de tegenstanders van stadhouder Willem V: de Orangisten en de Patriotten. Dat beperkte zich niet tot het gesproken woord. In tegendeel, regelmatig was er over en weer sprake van fysiek geweld en aanslagen op elkaars woonhuizen, bedrijven en kantoren. In de geschiedenisboekjes van de negentiende en twintigste eeuw lezen we dat de Orangisten tot het goede kamp behoorden en de patriotten tot het slechte. Oppervlakkig bezien valt daar wel wat voor te zeggen omdat gedurende de Franse tijd, van 1795 tot en met 1813, de eerste groep was verboden door de tweede, die bovendien collaboreerde met de bezetters. Het waren de helden tegen de onderkruipers, de vaderlandslievenden tegen de landsverraders. De werkelijkheid lag genuanceerder.

Neem nu de twee grote literaire helden uit het Vlissingen van de achttiende eeuw: Jacobus Bellamy en Betje Wolff, tegenwoordig gezien als behorend tot de top vijf van de grootste Nederlandstalige schrijvers uit de achttiende eeuw, naast Belle van Zuylen, Justus van Effen en Rhijnvis Feith. Beide waren ze met volle overtuiging patriot. Beide schreven ze hierover, soms ingehouden en cryptisch, soms recht voor z’n raap en met een taalgebruik waarvan zelfs de huidige generatie internetreaguurders het schaamrood op de kaken zou krijgen. Zo schreef Bellamy onder het pseudoniem Zelandus in 1781 het gedicht Aan eenen Verrader des Vaderlands, een verwijzing naar de toenmalige stadhouder Willem V, maar ook naar diens verre voorvader, de Vader des Vaderlands Willem van Oranje. Wat denkt u van passages als:
't Was nagt, toen u uw moeder baarde,
Een nagt, zoo zwart als immer was;
(…)
Verrader! monster! vloek der aarde!
Vernedrend schepsel der Natuur!
(…)
Hij zal zijn Vaderland verraden!
De Vrijheid trappen op de borst!

Het tijdschrift Post van den Neder-Rhijn waarin Bellamy dit gezagsondermijnende gedicht publiceerde, werd naar aanleiding hiervan verboden. De redactie wachtte een gerechtelijke vervolging maar Bellamy zelf werd met rust gelaten. Mogelijk wisten de autoriteiten niet wie de werkelijke schrijver was. Later zou hij nog veel soortgelijke gedichten schrijven die uiteindelijk terecht kwamen in de bundel Vaderlandsche gezangen van Zelandus uit 1785. Zijn stadgenoot Betje Wolff schreef wat gematigder en meer raadselachtig, maar was in woord en geschrift de zaak van de patriotten zo toegedaan dat zij na de mislukte staatsgreep tegen stadhouder Willem V in 1787 besloot om met haar vriendin Aagje Deken naar Frankrijk te vertrekken, tegelijk met enkele honderden andere prominente tegenstanders van de Oranjes. In de eerste jaren na 1787 werden veel patriotten voor het gerecht gesleept en veroordeeld tot lange gevangenisstraffen of verbanning. In 1797, toen Willem V al drie jaar als banneling in Engeland verbleef en de Fransen heer en meester waren in de Republiek, keerden de twee vriendinnen terug. Of ze de staatsvorm van hun dromen aantroffen is nog maar de vraag. We weten dat de idealistische en vaderlandslievende Nederlandse patriotten in 1795 de Fransen met gejuich hadden ingehaald, maar ook dat het beloofde paradijs van vrijheid, gelijkheid en broederschap er nooit is gekomen. De Franse kruistocht door Europa bleek niets meer en niets minder te zijn dan een met geweld en onderdrukking ondersteunde poging een wereldrijk te vestigen onder Frans gezag.

Afbeelding: Jacobus Bellamy, 1757-1786 en Betje Wolff, 1738-1804 (Bron: Gemeentearchief Vlissingen)